Als ze toch nog zo graag wil?

Ada, heet eigenlijk Aaltje. Daar kwamen we onlangs achter toen ze werd toegezongen door neven en nichten op haar tachtigste verjaardag. Ze haalden herinneringen op uit haar jeugd, uit de tijd dat ze als boerendochter het platteland leek te ontstijgen door op het dak van het kippenhok te gaan zonnen met als gevolg dat voorbijfietsende knechts bijna van de dijk de sloot in reden in een poging een glip van haar gebronsde lijf op te vangen. Overal waar ze kwam trok ze bekijks. Ze liet haar blonde haren wapperen in de wind en liep met soepele tred. Ze was voorbestemd om een wereldse vrouw te worden, haar horizon rijkte verder dan de boerderij. Ze ontmoette een student, maar mocht niet eerder met hem trouwen voordat hij klaar was met studeren. Óf ze kon zijn studie gaan betalen als ze toch met hem in zee ging, wat ze deed. Overdag stond ze voor de klas en ’s avond maakte ze kantoren schoon, terwijl haar echtgenoot de student uithing en vervolgens zeer verdienstelijk als arts de maatschappelijke ladder beklom. Ze wist van aanpakken, dat had ze vast van de boerderij. Je kunt het meisje uit de polder halen, maar je haalt de polder niet uit het meisje. Ada heeft inmiddels de hele wereld over gereisd, is altijd hip gekleed en verzamelt dure sieraden. Het enige dat haar nog aan haar boeren verleden herinnert is de manier waarop ze haar dessertlepel vasthoudt, zoals een spade die in de klei wordt gedreven of de soeplepel in de havermoutsepap: alle vingers stevig om de steel geklemd met de witte knokkels naar boven. Dan hangt ze boven haar schaaltje alsof ze wil zeggen: ‘dit nemen ze me niet af!’ Het kan natuurlijk ook zo zijn dat ze de pen-houding al lang niet meer machtig is vanwege een ongelukkige breuk van haar rechter duim, maar het valt mij gewoon op, juist omdat het bij haar zo uit de toon valt.
Gisterenavond was ik nog lang bij haar gebleven. Ik denk altijd, dat ik de laatste ben die ze belt als ze om bezoek verlegen zit. Ze klaagt. Ze heeft ook een boel reden om te klagen, maar het was deze keer een litanie van fouten en misstanden die ze te verduren heeft in het verzorgingshuis waar ze zich eigenlijk te jong voor voelt. “Iedereen die hier zit is blij dat hij z’n laatste dagen in alle rust en verzorging kan slijten, nooit meer zelf aardappelen hoeven schillen! Maar ik wil nog zo veel, maar ik kan het niet meer. De meesten hier zijn over de negentig en vinden het wel best. Ik wil m’n huis nog opknappen, m’n kleinzoon laten logeren, naar buiten toe, naar clubjes! Vaak heb ik zo’n pijn, dan hou ik het niet meer uit. We hebben het wel eens gehad over euthanasie, maar zo’n dag afspreken waarop je dat dan moet doen, met je hele familie om je heen en dan een spuitje… nee, lijkt me helemaal niks! Het liefst ga ik gewoon in m’n slaap, met niemand erbij.” Tja, dat wil iedereen, dacht ik, maar dat heb je niet voor het kiezen. Je kunt het toeval niet dwingen. “En als je nou eens stopt met al je pillen?” opperde ik voorzichtig. “Nou, in welke ellende kom je dan?” antwoordde ze afwijzend. Dus dat gaat ze ook zeker niet doen.
“De verzorging is hier vreselijk! Ik heb dan wel een niet-reanimeren-verklaring, maar dat wordt in huis uitgelegd als: niet haasten als ze bijna stikt. “We doen niets voor u hoor als u zo benauwd bent, want u gaat dan toch dood!” Kun je voorstellen? Dat zeggen ze gewoon: ‘ u gaat toch dood!’ Laatst had ik zelf 112 gebeld omdat het zo lang duurde voordat er iemand kwam. Dat hebben ze me zeer kwalijk genomen… Op een avond toen er bij de buurman niemand op zijn alarmknop reageerde ben ik met mijn scootmobieltje alle drie verdiepingen van de verzorgingsflat afgereden. Je kunt aan de voordeur zien of er een verzorgende binnen is omdat die dan open staat. Ze gaan nooit naar binnen zonder de deur open te laten. Ik kijk op de 3e verdieping: niemand te zien. Ik rij de hele 2e verdieping af: niemand, geen deur open. De 1e verdieping: alles dicht. Kom ik op de begane grond: zitten ze daar met z’n zessen koffie te drinken. Ze zullen het best druk hebben, iedereen heeft het druk, maar dan denken ze bij zo’n alarm: oh mijnheer Beukers, laat die maar even wachten, eerst koffie! Elke keer als ze te laat bij je komen is er een excuus: oh ik was even bezig bij een mevrouw die in bed geholpen moest worden… oh ik was even bezig met een mijnheer die in z’n broek gepoept had… enz. enz. – Wil je trouwens nog een chocolaatje? – Om de haverklap overlijdt er hier iemand, verschrikkelijk! De meesten zijn al erg oud, maar ik weet zeker dat ze hier overlijden terwijl dat niet had gehoeven. Verkeerde medicijnen die worden uitgedeeld, hulp die te laat komt, , familie te laat inlichten dat pa of ma snel achteruit gaat, ga maar zo door, het is hier een zootje. Er schijnt een regel te bestaan om in het weekend geen huisarts te laten komen. Er heerst hier een belachelijke hiërarchie. De verzorgenden mogen niets doen zonder de verpleegkundigen en de verpleegkundigen commanderen de verzorgenden. Er zijn er verschillende bij die vreselijk dik zijn en zo incapabel. Sommigen zijn echt uitschot, echt géén niveau!” Ik kom net als Aaltje uit een landelijke omgeving waar met twee vingers tegen de pet getikt werd voor dokter of dominee en langs het pad gespuugd voor de rest. “Laatst was er ook zo’n grietje. Ik roep dan vanuit m’n bed hoe ze de magnetron moet bedienen… ‘Zie je het tweede knopje van links…ja… en kies dan [select], zie je [select]?… Nee?… Probeer het tweede knopje van links nog eens….’ En vervolgens is mijn havermoutsepap overgekookt en kleven dikke klodders pap aan de buitenkant… eeks!” en Ada trekt een vies gezicht. “Maar wat ik het aller ergste vind is dat ik hier bestolen ben en zowel de directie als de politie zeggen dat ze er niets aan kunnen doen. Ze doen net alsof ik een dement besje ben dat maar verzint dat er vijftien ruggen en een gouden armband voor mijn dochter in het kluisje lagen!” Mijn ogen werden zo groot als schoteltjes. “Wist je dat niet?” riep Ada uit en ik zag tranen opkomen. “Ik was die dag een hele dag naar Friesland en pas s ’avonds laat terug. Toen ik ontdekte dat mijn portemonnee weg was, had ik eigenlijk direct ook de kluis moet checken, maar ik zag dat het sleuteltje nog op de zelfde plek lag waar ik het verstopt had… niemand wilde iets doen,” snikte ze. “En wie is er in het bezit van de reservesleutel?” vroeg ik. Die blijkt al minstens een dozijn bewoners geleden ‘kwijt’ te zijn; nou schiet mij maar lek. “Het was het spaargeld dat ik in al die jaren in een potje gestopt had. Ik spaarde altijd! Als mijn man bijvoorbeeld twijfelde of een bepaalde uitgave wel mogelijk was, dan kwam ik triomfantelijk met dat potje! Oh, ik voel me nu zo geamputeerd!” Terwijl Ada de tranen van haar wangen veegde wreef ik zachtjes over haar arm. Arme Aaltje, aan haar bed in de woonkamer gekluisterd het meest van de tijd. Op haar broze botten schuifelend achter haar rollator door haar kleine appartementje, de zuurstofslang achter zich aanslepend. Drie keer per dag gekatheteriseerd omdat haar urinebuis wordt afgekneld door de verzakkingen, darmspoelingen vanwege de verstopping door de pijnstillers, uren lang vernevelen omdat ze zonder niet kan ademen en alle overige ongemakken en kwalen die elkaar opvolgen, zoals dikke benen en een flinterdunne huid die bij het minste of geringste scheurt en open plekken veroorzaakt die maar moeilijk helen. Haar ribben schuren langs haar heupbeenderen omdat zo erg in elkaar zakt als ze zit. “Maar ik wil nog zo veel!” galmt haar stem nog na in mijn hoofd.
Komende week is er bloemschikken en daar wil Ada graag bij zijn. Ze vroeg zich hardop af of ze dan wel een bloemstukje zou kunnen maken, als ze geen snoeischaartje kan hanteren met haar vergroeide duim. “Ik kan met die hand niet eens iets fatsoenlijk vasthouden.” Ik stelde haar gerust dat het bloemschikken niet meer voor zou stellen dan een paar takjes in een blok oase steken en dat kun je zelfs met twee linker handen zoals ik. “Ik blijf altijd net zo lang klungelen totdat de bloemen-juffrouw het niet langer aan kan zien en mij te hulp schiet. Ga ik uiteindelijk met het mooiste stuk naar huis!” biechtte ik op. Ada vond het niet grappig. Bovendien was het inmiddels tijd om naar huis te gaan. Ik gaf haar drie ferme zoenen bij het afscheid. Kop op meid! In de lift naar beneden zakte ook mij even de moed in de schoenen. Wat moet ze nu? Doorsappelen totdat een eindeloze slaap haar meeneemt naar een plek waar ze alles weer vindt wat haar is afgenomen? Er zit geloof ik niets anders op.