Please to meet you

Voor het eerst, en toevallig nu de eerste van ons vriendinnenclubje zestig is geworden, hebben we het eens niet over het heengaan van onze ouders gehad, maar over onze eigen dood. Ik vroeg me al een tijdje af, wanneer dit onderwerp ter sprake zou komen? Dat juist Ria, de gene die altijd predikt dat alles vanzelf op je pad komt, haar wensen rond het levenseinde tot in detail had laten vastleggen, verbaasde ons. Ze gaf aan niet bang te zijn voor de dood, maar wel voor het gesol met je op het eind, terwijl je dat helemaal niet meer wil. Voor haar geen IC-opname, geen vrijheidsbeperking en geen zinloze pijnlijke behandelingen. Je lot in eigen handen nemen en de dood laten komen zoals hij komt, het klinkt tegenstrijdig maar het is dapper. Maakt dat de dood meer menselijk?
Tot God kun je je richten als tegen een persoon. Bidden of tegen hem praten: “maak alstublieft dat het weer goed komt!” en soms praat hij terug en duiken er zinnen op in je gedachten zoals: ‘hou vol!’. Hiermee lijkt God barmhartig, maar ook beperkt in zijn macht om de dingen ten goede te laten keren. Een andere verpersoonlijking is Moeder Natuur. Zij is zorgzaam en heeft een stem die ons oproept haar niet kapot te maken.
Maar over de dood wordt vrijwel nooit als persoon gesproken. Meestal is het God die over het levenseinde van de mensen beslist en is Hij het die je tot zich roept. De dood is enkel een feit, doodgaan een gebeurtenis. Alleen in de Middeleeuwen kende het Katholieke Europa de dood als Magere Hein, het geraamte met de hoody en de zeis. En dat was geen prettige figuur. In het Midden-Oosten werden in diezelfde tijd verschillende varianten op de Tuinman en de Dood geschreven, een verhaal dat pas in Nederland in de jaren ’20 van de vorige eeuw is uitgegeven. Hierin is de Dood een aimabele man, die het niet voorzien heeft op het veroorzaken van leed, maar slechts zijn opdracht moet uitvoeren hoe zwaar ook. In dezelfde tijd verscheen in Italië het toneelstuk La morte in Vacanza. Hierin bezoekt de Dood, vermomd als dandy, de levenden op zoek naar het antwoord op de vraag waarom de mensen zo bang voor hem zijn. Hij is hautain en veeleisend, maar wordt ook menselijk wanneer hij verliefd wordt. In het verhaal van Tomas Mann, Dood in Venetië, is de dood niet zichtbaar, maar kondigt zich aan in de vorm van een beeldschone jongen, de Engel des doods. In de film Meet Joe Black zijn die twee gecombineerd: de Dood kondigt zich aan én verschijnt zelf als een onwaarschijnlijk knappe man in het leven van een 65-jarige ondernemer wiens dagen zijn geteld. De Dood wil, voordat hij de man meeneemt, er achter komen waarom de mensen zo veel van het leven houden en niet dood willen. In deze film is de Dood zachtaardig, geïnteresseerd en empathisch, maar ook onvermurwbaar waar het zijn taakstelling betreft. Oneerlijk of niet: als het je tijd is, is het je tijd. Mijn zus, arts ouderengeneeskunde, vertelt dat de helft van haar patiënten bang zijn voor de dood, met name vanuit een religieuze achtergrond, en de andere helft heeft zo iets van ‘laat mij maar gaan, het is genoeg geweest’ zo moe zijn ze. Zou de Dood vriendelijk en invoelend zijn? Wat als ík de Dood zou ontmoeten…

Hij steekt meteen van wal: “Maar waarom zo’n negatief beeld? Waarom die angst?”. Ik antwoord: “Als klein kind werd ik al bang gemaakt voor de dood. Mijn oma uit Limburg, die zo mager was dat haar schedel door haar hoofdhuid scheen, zei dat de dood overal op de loer lag: op de rijksweg voor hun huis of bij de sloot achter de tuin. Ook mijn vader kon het niet laten ons te laten griezelen zoals met het gedicht van Piet Paaltjes, de Zelfmoordenaar. Zelf was hij heel bang voor de dood omdat hem altijd was voorgehouden dat er naast de hemel ook zoiets bestond als de hel. Ooit had hij ons meegenomen naar carnaval, naar een praalwagen met duivels en een reusachtige kookpot op een vuur waar mensen uit het publiek in werden gehesen. De duivels op de wagen hielden de gevangen feestvierders met hun drietand in bedwang. Mijn vader greep onze handjes goed vast anders zouden we vast ook meegenomen worden zei hij. Toen later films over cowboys en indianen lieten zien dat doodgaan ook iets heroïsch kon hebben en vervolgens vampiers populair werden, kwam de dood in een ander daglicht te staan, niet alleen lelijk en luguber. Toch heeft een naderend einde nog steeds iets engs omdat je niet weet welke doodstrijd eraan vooraf gaat en wat daarna komt”. De Dood begrijpt het. “En als ik je kom halen,” vervolgt hij op fluistertoon, “dan hoef je toch niet bang te zijn? Want dood zijn is net als slapen.” Zijn stem klinkt onzeker. “Ik hoop inderdaad dat er dan iemand is die mij bij de hand neemt”, verzucht ik. “Ik zal er zijn”, belooft hij tenslotte, maar ik weet niet of ik hem moet geloven en dat heeft alles te maken met zijn reputatie.