grandma toos

Dit is een spreekwoord. Het komt overeen met 't gezegde: Ben jij gek! De vraag is: hoe voelt het eigenlijk om zestig te zijn?

Groundhog Day

“Hey Toos, het is weer tijd om je in te schrijven voor de schoolreünie! Ga jij? Groetjes, Rich”. Elke vijf jaar krijg ik een berichtje van mijn altijd goedgehumeurde oud-klasgenoot Richard Riksen. Het is alsof deze gebeurtenis zich elke vijf jaar exact op het zelfde moment herhaald. Helaas kan ik dit jaar niet gaan, maar ik ben er zéker van dat Richard’s wake-up call voor de aanmelding voor die dag over vijf jaar weer opbliebt op mijn telefoon. 

Dacht ik dat mijn leven min of meer voorbij was na m’n 60ste, nu besef ik dat het helemaal niet voorbij is. Maar dat het ook niet verder gaat in bijvoorbeeld een nieuw leven, in de zin van anders dan ik ooit geleefd had. Wie had kunnen denken dat mijn leven bij 60 eigenlijk weer helemaal van voren af aan zou beginnen?

Denk eens mee: ik heb nu even vastigheid in m’n werk, gezin, vrienden en hobby’s, maar de toekomst is nog helemaal open. Wat brengt het leven mij? Precies dezelfde soort toekomstvragen als toen ik op de middelbare school zat of toen ik nog studeerde heb ik nu: wat ga ik strak voor werk doen of is er helemaal geen werk meer voor mij? Waar ga ik wonen later? Krijg ik kleinkinderen of niet, en is mijn leven dan weer gebonden? Welke hobby’s kies ik? Blijf ik op deze sport of ga ik iets anders doen? Blijven Marina en ik vriendinnen of zou ik niet meer met Isabelle optrekken, kortom vriendinnen issues? Wat ook nu weer door mijn hoofd speelt, voelt precies als toen ik jong was en de gedachte had: ik wil nog zoveel doen nu het nog kan, nu ik nog geen vaste baan, gezin en kinderen heb. Nu heb ik dat weer: ik wil nog zoveel doen nu ik nog gezond ben en nog geen kleinkinderen heb. 

Als het dan toch zo is dat het leven dat je achter je gelaten hebt weer opnieuw begint, zou het dan niet zo zijn dat ik nu de kans heb om de fouten die ik toen maakte niet meer te maken? Ik vrees dat ik niet meer dezelfde foute keuzes maak, maar wel weer zeer vergelijkbare waardoor ik uiteindelijk toch niks geleerd blijk te hebben. In Groundhog Day, een film uit 1993 moet weerman Phil Connors (Bill Murray) deze dag telkens opnieuw beleven tot hij het leven heeft leren waarderen, geen fouten meer maakt en ware liefde heeft gevonden. Ik vrees dat ik geen tijd heb om alle fouten die ik heb gemaakt te herstellen of de fouten die ik standaard maak te voorkomen met de kennis van nu in dit 2e leven, daarvoor heb ik denk ik echt wel meer levens nodig of misschien leer ik het wel nooit. Who knows. 

Met de kennis van nu weet ik hoe veerkrachtig mensen eigenlijk zijn en hun leven weer oppakken na vreselijke dingen te hebben doorgemaakt. Maar ook dat trauma’s van vroeger nog steeds een rol kunnen spelen in hoe je reageert of waar je overgevoelig voor bent geworden. Onvoorstelbaar blijkt nu hoeveel impact bepaalde ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen kunnen hebben. 

Ik ben nu wakker geworden op Groundhog Day 2 en ik ga er zeker íets van maken ondanks dat ik weet dat ik dezelfde fouten weer zal maken, niet omdat ik koppig of hardleers ben, maar omdat situaties zich net weer anders presenteren zodat ik ze niet herken. 

Als mijn opdracht in deze film, die mijn leven is, het waarderen van het leven, de mensen om mij heen helpen en echte liefde voelen, dan zal ik ondanks de chaos die ik zeer waarschijnlijk om me heen creëer ook iets moois weten neer te zetten. 

Body Shaming

We moeten meer bewegen, gezonder eten en regelmatig krachttraining doen om ons lichaam zo goed mogelijk voor te bereiden op de hoge leeftijd die velen van ons gaan bereiken. Dat de deur platlopen bij de gym je hopelijk ook een esthetisch voordeel oplevert, daar mag je niet openlijk vooruit komen. Nee, in ons calvinistisch landje moet je dat voordeel nonchalant wegwimpelen en zeggen dat het je daar beslist niet om te doen is! Nee, stel je voor dat je beticht wordt van ijdelheid… Verder mag je je ‘droge’ ledematen en abdominals niet te opvallend tonen, zeker niet op social media, want het is namelijk heel intimiderend en ja, zelf traumatiserend, voor veel 50-plussers die het toch al zo zwaar hebben in deze tijd waarin zij geconfronteerd worden met perfect uitgelichte killer body’s in glossies en op Instagram. Bodyshaming was eerst gericht op wat vollere mensen of mensen met een afwijking, tegenwoordig moet je je opeens verontschuldigen als je qua postuur niets te klagen hebt. Je wordt soms zelfs verdacht van ongezonde praktijken zoals heimelijk vasten of illegale doping.

Er waait een nieuwe wind in Nederland: het nieuwe welvaartsideaal is tjubby. Vrienden in Amsterdam hoorde ik laatst zeggen: “Een pondje meer of minder doet me helemaal niks meer, ik laat me niet gek maken! Ik ga echt niet als een debiel hartlopen en me uitsloven naast zweterige lijven in de sportschool of tussen ordinaire types in een boxclub. Een ubergezonde leefstijl is alláng uit, is niet meer hip. Lekker een wijntje al bij de lunch is niet meer weg te denken en een sigaretje meeroken met de kinderen: het toppunt van gezelligheid!”

Over een paar jaar is er vast weer een trend de gezonde kant op en dan wordt er misschien gezegd: ja, echt bizar dat we toen er zo over dachten!

Please to meet you

Voor het eerst, en toevallig nu de eerste van ons vriendinnenclubje zestig is geworden, hebben we het eens niet over het heengaan van onze ouders gehad, maar over onze eigen dood. Ik vroeg me al een tijdje af, wanneer dit onderwerp ter sprake zou komen? Dat juist Ria, de gene die altijd predikt dat alles vanzelf op je pad komt, haar wensen rond het levenseinde tot in detail had laten vastleggen, verbaasde ons. Ze gaf aan niet bang te zijn voor de dood, maar wel voor het gesol met je op het eind, terwijl je dat helemaal niet meer wil. Voor haar geen IC-opname, geen vrijheidsbeperking en geen zinloze pijnlijke behandelingen. Je lot in eigen handen nemen en de dood laten komen zoals hij komt, het klinkt tegenstrijdig maar het is dapper. Maakt dat de dood meer menselijk?
Tot God kun je je richten als tegen een persoon. Bidden of tegen hem praten: “maak alstublieft dat het weer goed komt!” en soms praat hij terug en duiken er zinnen op in je gedachten zoals: ‘hou vol!’. Hiermee lijkt God barmhartig, maar ook beperkt in zijn macht om de dingen ten goede te laten keren. Een andere verpersoonlijking is Moeder Natuur. Zij is zorgzaam en heeft een stem die ons oproept haar niet kapot te maken.
Maar over de dood wordt vrijwel nooit als persoon gesproken. Meestal is het God die over het levenseinde van de mensen beslist en is Hij het die je tot zich roept. De dood is enkel een feit, doodgaan een gebeurtenis. Alleen in de Middeleeuwen kende het Katholieke Europa de dood als Magere Hein, het geraamte met de hoody en de zeis. En dat was geen prettige figuur. In het Midden-Oosten werden in diezelfde tijd verschillende varianten op de Tuinman en de Dood geschreven, een verhaal dat pas in Nederland in de jaren ’20 van de vorige eeuw is uitgegeven. Hierin is de Dood een aimabele man, die het niet voorzien heeft op het veroorzaken van leed, maar slechts zijn opdracht moet uitvoeren hoe zwaar ook. In dezelfde tijd verscheen in Italië het toneelstuk La morte in Vacanza. Hierin bezoekt de Dood, vermomd als dandy, de levenden op zoek naar het antwoord op de vraag waarom de mensen zo bang voor hem zijn. Hij is hautain en veeleisend, maar wordt ook menselijk wanneer hij verliefd wordt. In het verhaal van Tomas Mann, Dood in Venetië, is de dood niet zichtbaar, maar kondigt zich aan in de vorm van een beeldschone jongen, de Engel des doods. In de film Meet Joe Black zijn die twee gecombineerd: de Dood kondigt zich aan én verschijnt zelf als een onwaarschijnlijk knappe man in het leven van een 65-jarige ondernemer wiens dagen zijn geteld. De Dood wil, voordat hij de man meeneemt, er achter komen waarom de mensen zo veel van het leven houden en niet dood willen. In deze film is de Dood zachtaardig, geïnteresseerd en empathisch, maar ook onvermurwbaar waar het zijn taakstelling betreft. Oneerlijk of niet: als het je tijd is, is het je tijd. Mijn zus, arts ouderengeneeskunde, vertelt dat de helft van haar patiënten bang zijn voor de dood, met name vanuit een religieuze achtergrond, en de andere helft heeft zo iets van ‘laat mij maar gaan, het is genoeg geweest’ zo moe zijn ze. Zou de Dood vriendelijk en invoelend zijn? Wat als ík de Dood zou ontmoeten…

Hij steekt meteen van wal: “Maar waarom zo’n negatief beeld? Waarom die angst?”. Ik antwoord: “Als klein kind werd ik al bang gemaakt voor de dood. Mijn oma uit Limburg, die zo mager was dat haar schedel door haar hoofdhuid scheen, zei dat de dood overal op de loer lag: op de rijksweg voor hun huis of bij de sloot achter de tuin. Ook mijn vader kon het niet laten ons te laten griezelen zoals met het gedicht van Piet Paaltjes, de Zelfmoordenaar. Zelf was hij heel bang voor de dood omdat hem altijd was voorgehouden dat er naast de hemel ook zoiets bestond als de hel. Ooit had hij ons meegenomen naar carnaval, naar een praalwagen met duivels en een reusachtige kookpot op een vuur waar mensen uit het publiek in werden gehesen. De duivels op de wagen hielden de gevangen feestvierders met hun drietand in bedwang. Mijn vader greep onze handjes goed vast anders zouden we vast ook meegenomen worden zei hij. Toen later films over cowboys en indianen lieten zien dat doodgaan ook iets heroïsch kon hebben en vervolgens vampiers populair werden, kwam de dood in een ander daglicht te staan, niet alleen lelijk en luguber. Toch heeft een naderend einde nog steeds iets engs omdat je niet weet welke doodstrijd eraan vooraf gaat en wat daarna komt”. De Dood begrijpt het. “En als ik je kom halen,” vervolgt hij op fluistertoon, “dan hoef je toch niet bang te zijn? Want dood zijn is net als slapen.” Zijn stem klinkt onzeker. “Ik hoop inderdaad dat er dan iemand is die mij bij de hand neemt”, verzucht ik. “Ik zal er zijn”, belooft hij tenslotte, maar ik weet niet of ik hem moet geloven en dat heeft alles te maken met zijn reputatie.

Aftellen naar 60

Het is begonnen. Nog 10 maanden en ik ben werkelijk 60! Misschien vliegt de tijd voorbij. Ik denk er over om een ‘countdown to 60’ te doen met allerlei uitdagingen en ook heel veel ‘wil ik nog één keer doen’s ‘. Dingen die je straks niet meer doet omdat het dan écht niet meer kan of omdat je ze dan echt niet meer kúnt.

Ik ga een mindcloud maken met al mijn wensen, een uitvoerschema maken voor alle maanden en een afvinklijst opstellen met open bullits die ik dan in kan kleuren zodra een wens vervuld is. Zo zou ik bijvoorbeeld ooit nog eens een sixpack willen hebben, een festival bezoeken of een tantra-yoga retraite in Thailand cadeau krijgen. Een tattoo niet, die heb ik al gehad en bij de herinnering aan de reeks pijnlijke behandelingen die ik heb moeten ondergaan om hem te verwijderen (13 stuks in 1,2 jaar), is de lust om een nieuwe te zetten reeds lang verdwenen. Het was een race tegen de klok geweest, want ik wilde niet dat mijn zoontje zich een moeder met tattoo kon herinneren en dus moest hij vóór zijn 3e verjaardag verdwenen zijn. Helaas, ik had me vergist in wat kinderen nog weten van hun vroegste jaren… Een ritje met een cabrio mag ook al van mijn bucketlist. Vanaf het moment dat ik ‘moeder’s mooiste’: een Saab-cabrio S6 van mijn man cadeau kreeg (hij had zich de auto oplaten dringen door een mannetje o.d.z. Leuk Voor Het Vrouwtje) kon ik de keren dat ik zonder kap heb gereden op één hand tellen. Toen Beer op zoek ging naar diverse afschermplaten om de turbulentie te verminderen als je op de snelweg reed, bedacht ik dat de beste manier om oorpijn te voorkomen een dichte auto rijden was en hebben we de cabrio de deur uit gedaan. Wat dan wel?

Kansloze relaties

Afgeluisterde telefoongesprekken in de bus:

  • Man in strak T-shirt: ‘”Had je gebeld?” Vrouwenstem aan de andere kant van de lijn: “Nee”.
  • Man in lange regenjas met aktetas: “Heb je me nu écht aan het zeiken gekregen?”.
  • Chique vrouw na minuten lang zwijgen: “Nee, ik zei niks!”.

Bevolkingsonderzoek

20 september 13:30: Veel te lang opgehouden op mijn werk en nu moet ik het bevolkingsonderzoeksbureau bellen terwijl ik naar mijn auto sprint. Er is een keuzemenu en daarna sta ik in de wacht. Ik moet helemaal van Utrecht naar Lopik rijden waar de bus bij een sporthal staat. Mijn Duitse navigatiesysteem leidt mij kruipdoor-sluipdoor tussen de flats van de stad en vervolgens via Nieuwgein Centrum. Was ist los?

14:00: “Hallo”, roep ik handsfree in mijn mobieltje terwijl ik onhandig door het verkeer manoeuvreer, “Ik kom niet op tijd zo, maar ik kan de afspraak ook niet nog een keer afzeggen.” Want dan is het namelijk voor mij te laat, want ik heb misschien wel iets razendsnel-woekerends in mijn borst! Dat laatste zei ik er echter niet bij. Al een paar weken voel ik een pijnlijk strak gevoel in mijn linkerborst, maar als ik nu naar de huisarts zou gaan kan ik misschien pas volgende week voor een foto terecht. En bij het bevolkingsonderzoek kon ik al vandaag komen op basis van een uitnodiging die ik al drie jaar in huis had laten slingeren. “Ik heb vanmiddag extra vrij genomen”, roep ik paniekerig om er aan toe te voegen: ”En ik heb deze auto speciaal hiervoor geleend, dus ik wil nu echt komen!” Ai, ai, vreselijk gelogen, maar het doel heiligt de middelen: alles in de strijd gooien om niet te worden afgewezen. “Ik ben dan 10 minuten later en ik vind het echt heel spannend!”, dat was weer wel heel eerlijk, want de kramp in mijn borst is er niet minder om geworden.

14:30: Gelukkig is er genoeg parkeerruimte voor de sporthal. De bus weet natuurlijk uit ervaring dat op doordeweekse dagen een sporthal niet overloopt met publiek. Slim. Ik hoef het intakeformulier niet in te vullen want het wordt mondeling afgewerkt. Nee, ik heb geen borstoperatie gehad (nóg niet tenminste).

14:40: Het liefst had ik nog wat verder gelezen in de Leesmap-Libelle die een test bevat: ‘Hoe goed ken je jezelf?’ In een van de kleedhokjes van de bus, die meer weg heeft van een camper, moet ik jas, vest, blouse, T-shirt en BH uittrekken. Het deurtje van het hokje gaat aan de andere kant open, ik mag de onderzoekskamer binnenlopen en naast een apparaat gaan staan met perspex vlakken. De onderzoekslaborante is denk ik net iets jonger dan ik en heeft een vriendelijk gezicht. “Het kan vervelend voelen, sommigen vinden het een beetje pijn doen, maar geef het straks maar aan als het niet gaat”. Ze is wel heel vriendelijk, maar het gaat echt pijn doen weet ik uit ervaring en ze trekken er niets van aan als je gaat protesteren. De laborante trekt met twee handen mijn borst zowat van mijn lijf en vervolgens wordt deze uitgerekte borst tussen twee perspex platen geklemd waarna de laborante de pers, ook wel borstenpletter, nog een paar slagen strakker aandraait. Ik durf niet naar mijn platgeslagen borst tussen het perspex te kijken. Ik kerm wat af, en vrees dat mijn huid ergens gaat scheuren als het niet heel snel afgelopen is. Oei oei. De laborante wil natuurlijk de radioloog te vriend houden zodat die perfecte plaatjes kan verslaan; met de patiënt, die ze toch nooit meer ziet, en mij al helemaal niet meer, heeft ze geen medelijden. Als de kwelling voor de 4 foto’s voorbij is, verdwijnt de laborante uit het kamertje om te kijken of het onderzoek gelukt is. ‘Het is vast helemaal niet goed’, bedenk ik angstig. Dan komt ze terug en zet een glimlachend pokerface op “de foto’s zijn gelukt”. Ze kijk mij niet echt in de ogen maar een beetje door mij heen. “Binnen twee weken krijgt u de uitslag”. ‘Oh jee, foute boel dus’, concludeer ik. ‘Anders had ze mij wel een stille hint gegeven of even haar ogen geruststellend op de mijne laten rusten’. Dat wordt de komende uren of dagen spannend. Dat wachten op de uitslag is gewoonweg killing! Daarom doen veel mensen niet mee aan de screening

15:25: Nu ik voor mijn huis uit de auto stap merk ik dat ik mijn bloes niet bij me heb. Loop terug naar de auto, bel de bus: “wacht even er zit nog iemand in het kleedhokje…….nee, niets gevonden, goedendag mevrouw”. Rij toch maar weer het drukke verkeer in en een half uur terug naar de bus.

16:05: Parkeerterrein: geen bloes. In de straat verderop staat een kinderfietsje midden op de weg en ernaast ligt mijn bloes alsof iemand hiermee wil voorkomen dat auto’s er overheen rijden. Opeens staat er een klein meisje naast de fiets met licht blonde krullen en blozende wangen. “Dit is mijn bloes, ik was hem hier verloren”, zeg ik snel en pak de bloes van de straat. Er komt nog een klein meisje naast haar staan. “Ze hadden hem over die eend gelegd die daar ligt. En ik heb ‘m er afgehaald om te kijken hoe het met de eend is, of hij nog leeft.” Ik kijk in de berm en zie een dode eend. Er zwermen al een aantal vliegen om hem heen. Het meisje met het engelengezicht blijft op de straat staan. “Ik ben altijd heel lief voor dieren”, legt ze uit “En het is een kledingstuk, dus ik dacht ja.” Ik snap de logica van het meisje niet maar het signaal des te beter: zij is de engel des doods die wijst naar de eend, mijn lot. Eend waardoor ik jaren geleden vreselijk ziek was geworden, eigenlijk al dood had moeten zijn, en nu is mijn tijd echt op. Ben ik er klaar voor? Heb ik lang genoeg geleefd? Heb ik alles wel gezien?

28 september

13:50: Mijn verjaardag. En alsof ze het er om doen, ligt naast de traditionele verjaardagskaart van mijn zus de enveloppe van het bevolkingsonderzoek…. Eigenlijk had ik er de laatste dagen niet meer aan gedacht, nadat de eerste dagen voorbij waren gegaan. Als er iets niet goed was geweest zou de huisarts je toch bellen? “Nee hoor”, zei mijn buurvrouw, “Als het foute boel is belt echt niet altijd de huisarts, bij mij zagen ze ook wat en dat hadden ze gewoon per brief medegedeeld!” Maar uiteraard ga ik de enveloppe niet opmaken op m’n verjaardag! En ik stop hem in mijn tas. Morgen is vast ook nog wel op tijd om direct de huisarts te bellen mocht dat nodig zijn. Mijn prognose kan niet opeens dramatisch slechter worden wanneer ik nog 24 uur wacht.

29 september

10:35: Het moet nu maar gebeuren. Ik open de enveloppe en het eerste woord waar mijn oog opvalt is vetgedrukt en staat in de eerste zin: geen. Direct lees ik verder, want ‘geen’ kan ook slaan op ‘geen goed nieuws,’ ‘geen goede uitslag’ of ‘geen enkele kans op overleving’! Soms lees je in verhalen dat mensen het nieuws een paar keer opnieuw hebben moeten lezen voor ze beseften wat er stond. Dat kon ik altijd nauwelijks geloven. Je ziet toch direct wat er staat. Maar het is dus écht zo: je leest het, maar van spanning vergeet je een seconde later weer wat er stond, heel vreemd maar waar. Ik stop de brief in m’n tas om hem vervolgens weer eruit te halen. Telkens moet ik opnieuw lezen wat er nu werkelijk is geschreven achter het woord ‘geen’.Eén ding heb ik wel heel goed onthouden: ik laat voorlopig geen bevolkingsonderzoek meer doen!

Welkom in onze wereld

“Ga je mee dansen?” Bas vroeg het niet aan de studentes die naast hem stonden aan de black jacktafel, maar aan mij! Ik was verbaasd. We hadden namelijk nog nooit een woord gewisseld. Hij werkte niet eens op onze afdeling. “Met mij?” vroeg ik, alsof hij het aan z’n oma had gevraagd die al de hele avond met haar wandelstok in haar beide knuistjes voor zich uit had zitten staren. Ik stemde toe, maar bleef nog even bij de speeltafel kijken waar het spel best spannend was geworden. Vier jaar geleden liep Bas nog over de campus van de hoge school in Eindhoven, schoot het door mijn hoofd. Na een paar minuten zei hij ongeduldig: “Kom we gaan dansen en wenkte met zijn hoofd richting de dansvloer”. Ik keek in zijn vrolijke gezicht. Eén en al Brabantse hoffelijkheid. Samen liepen we naar de vloerverlichte dansvloer die aan Saturday Nightfever deed denken. Ik wist niet hoe je op de moderne muziek moest dansen, maar ik deed de anderen na en hoopte dat het er niet al te ongemakkelijk uitzag. Ik probeerde te genieten van het onbekende ritme, maar werd af en toe gestoord door m’n afdwalende gedachten: ‘vinden ze me niet te oud?’ De liedjes uit onze tijd bleken gelukkig ook nog de moeite waard om te draaien en toen iedereen meezong met ‘Don’t stop me now’ van Queen, brachten Bas en ik allebei tegelijk onze handtelefoon naar ons oor bij “just give me a call”. Na ‘een laatste witte was’ ging ik naar huis. Het was prima zo. Maar kon ik het niet nalaten mezelf in een spiegelende ruit te beoordelen: een omaatje in een galajurk. “Maar er zijn genoeg oude dames die er nog prachtig uitzien en jij ook!” zei m’n dochter toen ik de middag voor het bedrijfsfeest klagend aan de telefoon had gehangen.

De dag na het feest had één van mijn studenten gevraagd of ik in zijn padel-team wilde bij de komende sportdag waarvoor ik me na lang aarzelen had opgegeven. Dat ik nog welkom ben is echt een hele fijne constatering. Bedankt jongens, bedankt dat jullie mij mee voeren in jullie wereldje. Misschien ben ik het alleen zelf die mezelf niet meer zo vind passen.

Circus Life

Eigenlijk heb ik clowns nooit leuk gevonden. Het zijn figuren die altijd pech hebben, nergens echt goed in zijn en als iets al ooit lukt, gebeurt dit toevallig. Hun kleding is onflatteus, in vloekende kleuren. Hun haar is meestal pluizig en piekt alle kanten op. Clowns horen nergens echt bij. Niet bij de acrobaten met hun gespierde torso’s. Niet bij de koorddansers in hun hemelsblauwe glitterpakken. En niet bij de dompteurs – to cool to be careless. Ze worden keer op keer weggestuurd als ze verkleed als goochelaar of orkestlid mee willen doen met een act of ze worden vermaand door de circusdirecteur om hun onaangepaste gedrag. Als ze vervolgens ons, het publiek, op hun hand proberen te krijgen, kijk ik altijd stuurs de piste in en klap demonstratief niet mee. Eigen schuld, dan moet je maar normaal doen!

De parallel naar mijn eigen leven is natuurlijk evident. Hoe graag was ik niet het meisje in de trapeze, die hoog in de lucht vliegt en op het juiste moment gegrepen wordt door meestal haar broer, die op zijn kop aan een rekstok hangt, om uiteindelijk in de armen te worden gesloten door een andere acrobaat die aan de zijkant in de nok op een plankje op haar wachtte. Ze kijken elkaar even aan waarbij zij hem een dankbaar glimlachje schenkt. Dan gaat het verder. Eenmaal weer met beide benen op de grond heffen de acrobaten hun armen in de lucht en gebaren naar elkaar, om aan te geven wie het applaus het meest toekomt. De clown wil hier ook deelgenoot van zijn, maar ook nu is hij niet welkom. De acrobaten moeten hem wegsturen, dat is zo afgesproken, maar je ziet aan hun gezichten dat ze dat niet van harte doen. Ze hebben zichtbaar medelijden en spelen hun rol niet overtuigend, wat de boel alleen maar triester maakt. Ik verlang er, net als de clown, tevergeefs naar te excelleren om vervolgens trots en stoïcijns over het circusterrein te kunnen lopen, gevolgd door bewonderende blikken. Het helpt niet dat iedereen tegen me zegt: “Maar jij bent zo grappig!” Mijn onvermogen, mijn worstelen tegen beter weten in, het blijven proberen wat ik eigenlijk niet kan, is blijkbaar te sneu, te leuk, te aandoenlijk om niet in lachen uit te barsten. Dit weekend had ik mijn allereerste tennistoernooi éver. De ballen vlogen mij om de oren terwijl ik verwoede pogingen deed te retourneren, mijn racket als een vliegmepper om me heen slaand. Mijn dochter in het publiek kwam niet meer bij.

Moederdag

“Mam, vandaag mag jij kiezen wat je gaat koken”

Day dreamer

Het was ‘em. Onmiskenbaar. Ik heb vaak mannen voor hém aangezien, die het dus niet bleken te zijn en van dichtbij zelfs in de verste verte niet. Maar nu was hij het echt. Door de mensenmassa heen zag ik hem bij de bar staan, wachtend op een bestelling. Zijn blik geamuseerd zoals altijd, vol onverholen dedain. Met zijn hoofd een beetje schuin schoof hij een onwillige lok achter zijn oor waarmee hij de gebruinde huid van zijn bebaarde kaak ontblootte. Ik wilde niet gezien worden. Ik zou de confrontatie met zijn gezicht dat boekdelen zou spreken niet verdragen. Bij ons laatste treffen was ik ook geen natuurlijke schoonheid, maar in ieder geval wel jong! Ik liep terug naar waar ik vandaan kwam en voegde me weer bij het gezelschap van buurtgenoten waarmee ik op het dorpsfeest was. Plotseling hoorde ik zijn stem achter me: “Hé luitjes, what’s up? Is dit lang geleden of niet!” Zijn stem lager en milder dan ik me van hem kon herinneren en een grote ferme hand omvatte mijn zij, ongeveer ter hoogte van m’n middenrif en gloeide vervolgens op mijn huid. Ik bleef strak voor me naar de grond staren maar zag in mijn ooghoek dat hij de andere arm om mijn vriendin Marina had geslagen. Met beide armen om ons heen begroette hij het kringetje vrienden lachend en uitbundig. Ik voelde de warmte van zijn bovenarm op mijn wang door de zachte stof van zijn trui heen. Daar begon de muziek weer te spelen en iedereen zong en klapte mee. Ik sloop weg en zette het aan het eind van de bar vervolgens op een drinken.

Het feest was nog in volle gang toen Marina mij naar huis bracht. Onderweg had ik al een beetje tegen een gevel gekotst en daarna nog een keer in de badkamer. Mijn vriendin bleef trouw naast mijn bed staan tot ik goed en wel onder de dekens lag. Vervolgens hoorde ik haar op gedempte toon ruziën met iemand op de gang wiens stem ik niet direct thuis kon brengen. Ik voelde me geenszins geroepen om op te staan en me in de discussie te mengen. Alles draaide, mijn bed met name. Tenslotte viel ik in een diepe slaap.

Het geluid van de wekker was niet echt hard, maar wel dwingend genoeg om mij op het juiste moment weer bij bewustzijn te laten komen. Hij lag naast mij. Zijn ademhaling was traag en rustig. Zijn oogleden met de zwarte wimpers bedekten zijn prachtige ogen. Nooit eerder was hij zo dichtbij geweest. Een aanraking nog steeds onmogelijk. Ik herkende het vlekje op zijn neus. Zijn mond niet helemaal gesloten in een zachte trek. Ik zag het ontspringen van elke haartje op zijn wang. De snor naar binnen gekruld zijn lippen nét niet rakend. De gladde huid op zijn bovenarmen die uit het marineblauwe T-shirt staken. De aders op zijn hand waar het warme bloed door stroomde. Het litteken op zijn middelvinger. Ik kon niet kiezen waar ik het liefst naar wilde blijven kijken. Echter mijn eerste examenkandidaat stond over een uur gepland en dus moest ik er als een speer vandoor. Haastig zocht ik een stuk papier en vond alleen een nog ongeopende verkeersboete, waarschijnlijk voor het negeren van rood licht. Maar toen vervolgens de inkt uit mijn pen niet op de enveloppe wilde vloeien, liet ik het hele idee om een berichtje achter te laten varen. Met een bonkend hoofd reed ik over de snelweg naar het universiteitsgebouw.

Toen ik s’middags thuis kwam was hij weg. De hele dag had ik dromend doorgebracht. Ik stoof de trap op naar de slaapkamer. Ik sloeg de lakens van het bed en drukte mijn neus in ‘zijn’ kussen. Het rook naar shampoo, waspoeder en iets sterkers. Bij het voeteneinde waren er strepen van modder en bier dat waarschijnlijk aan zijn broekspijpen had gezeten. Gewapend met pincet en een klein plastic zakje speurde ik het bed, de slaapkamer, de gang en de badkamer af op zoek naar sporen van zijn aanwezigheid van afgelopen nacht; een haar of een pluisje van zijn trui. Maar ik vond niets.

1 2 3 4