Circus Life

Eigenlijk heb ik clowns nooit leuk gevonden. Het zijn figuren die altijd pech hebben, nergens echt goed in zijn en als iets al ooit lukt, gebeurt dit toevallig. Hun kleding is onflatteus, in vloekende kleuren. Hun haar is meestal pluizig en piekt alle kanten op. Clowns horen nergens echt bij. Niet bij de acrobaten met hun gespierde torso’s. Niet bij de koorddansers in hun hemelsblauwe glitterpakken. En niet bij de dompteurs – to cool to be careless. Ze worden keer op keer weggestuurd als ze verkleed als goochelaar of orkestlid mee willen doen met een act of ze worden vermaand door de circusdirecteur om hun onaangepaste gedrag. Als ze vervolgens ons, het publiek, op hun hand proberen te krijgen, kijk ik altijd stuurs de piste in en klap demonstratief niet mee. Eigen schuld, dan moet je maar normaal doen!
De parallel naar mijn eigen leven is natuurlijk evident. Hoe graag was ik niet het meisje in de trapeze, die hoog in de lucht vliegt en op het juiste moment gegrepen wordt door meestal haar broer, die op zijn kop aan een rekstok hangt, om uiteindelijk in de armen te worden gesloten door een andere acrobaat die aan de zijkant in de nok op een plankje op haar wachtte. Ze kijken elkaar even aan waarbij zij hem een dankbaar glimlachje schenkt. Dan gaat het verder. Eenmaal weer met beide benen op de grond heffen de acrobaten hun armen in de lucht en gebaren naar elkaar, om aan te geven wie het applaus het meest toekomt. De clown wil hier ook deelgenoot van zijn, maar ook nu is hij niet welkom. De acrobaten moeten hem wegsturen, dat is zo afgesproken, maar je ziet aan hun gezichten dat ze dat niet van harte doen. Ze hebben zichtbaar medelijden en spelen hun rol niet overtuigend, wat de boel alleen maar triester maakt. Ik verlang er, net als de clown, tevergeefs naar te excelleren om vervolgens trots en stoïcijns over het circusterrein te kunnen lopen, gevolgd door bewonderende blikken. Het helpt niet dat iedereen tegen me zegt: “Maar jij bent zo grappig!” Mijn onvermogen, mijn worstelen tegen beter weten in, het blijven proberen wat ik eigenlijk niet kan, is blijkbaar te sneu, te leuk, te aandoenlijk om niet in lachen uit te barsten. Dit weekend had ik mijn allereerste tennistoernooi éver. De ballen vlogen mij om de oren terwijl ik verwoede pogingen deed te retourneren, mijn racket als een vliegmepper om me heen slaand. Mijn dochter in het publiek kwam niet meer bij.