Bevolkingsonderzoek

20 september 13:30: Veel te lang opgehouden op mijn werk en nu moet ik het bevolkingsonderzoeksbureau bellen terwijl ik naar mijn auto sprint. Er is een keuzemenu en daarna sta ik in de wacht. Ik moet helemaal van Utrecht naar Lopik rijden waar de bus bij een sporthal staat. Mijn Duitse navigatiesysteem leidt mij kruipdoor-sluipdoor tussen de flats van de stad en vervolgens via Nieuwgein Centrum. Was ist los?
14:00: “Hallo”, roep ik handsfree in mijn mobieltje terwijl ik onhandig door het verkeer manoeuvreer, “Ik kom niet op tijd zo, maar ik kan de afspraak ook niet nog een keer afzeggen.” Want dan is het namelijk voor mij te laat, want ik heb misschien wel iets razendsnel-woekerends in mijn borst! Dat laatste zei ik er echter niet bij. Al een paar weken voel ik een pijnlijk strak gevoel in mijn linkerborst, maar als ik nu naar de huisarts zou gaan kan ik misschien pas volgende week voor een foto terecht. En bij het bevolkingsonderzoek kon ik al vandaag komen op basis van een uitnodiging die ik al drie jaar in huis had laten slingeren. “Ik heb vanmiddag extra vrij genomen”, roep ik paniekerig om er aan toe te voegen: ”En ik heb deze auto speciaal hiervoor geleend, dus ik wil nu echt komen!” Ai, ai, vreselijk gelogen, maar het doel heiligt de middelen: alles in de strijd gooien om niet te worden afgewezen. “Ik ben dan 10 minuten later en ik vind het echt heel spannend!”, dat was weer wel heel eerlijk, want de kramp in mijn borst is er niet minder om geworden.
14:30: Gelukkig is er genoeg parkeerruimte voor de sporthal. De bus weet natuurlijk uit ervaring dat op doordeweekse dagen een sporthal niet overloopt met publiek. Slim. Ik hoef het intakeformulier niet in te vullen want het wordt mondeling afgewerkt. Nee, ik heb geen borstoperatie gehad (nóg niet tenminste).
14:40: Het liefst had ik nog wat verder gelezen in de Leesmap-Libelle die een test bevat: ‘Hoe goed ken je jezelf?’ In een van de kleedhokjes van de bus, die meer weg heeft van een camper, moet ik jas, vest, blouse, T-shirt en BH uittrekken. Het deurtje van het hokje gaat aan de andere kant open, ik mag de onderzoekskamer binnenlopen en naast een apparaat gaan staan met perspex vlakken. De onderzoekslaborante is denk ik net iets jonger dan ik en heeft een vriendelijk gezicht. “Het kan vervelend voelen, sommigen vinden het een beetje pijn doen, maar geef het straks maar aan als het niet gaat”. Ze is wel heel vriendelijk, maar het gaat echt pijn doen weet ik uit ervaring en ze trekken er niets van aan als je gaat protesteren. De laborante trekt met twee handen mijn borst zowat van mijn lijf en vervolgens wordt deze uitgerekte borst tussen twee perspex platen geklemd waarna de laborante de pers, ook wel borstenpletter, nog een paar slagen strakker aandraait. Ik durf niet naar mijn platgeslagen borst tussen het perspex te kijken. Ik kerm wat af, en vrees dat mijn huid ergens gaat scheuren als het niet heel snel afgelopen is. Oei oei. De laborante wil natuurlijk de radioloog te vriend houden zodat die perfecte plaatjes kan verslaan; met de patiënt, die ze toch nooit meer ziet, en mij al helemaal niet meer, heeft ze geen medelijden. Als de kwelling voor de 4 foto’s voorbij is, verdwijnt de laborante uit het kamertje om te kijken of het onderzoek gelukt is. ‘Het is vast helemaal niet goed’, bedenk ik angstig. Dan komt ze terug en zet een glimlachend pokerface op “de foto’s zijn gelukt”. Ze kijk mij niet echt in de ogen maar een beetje door mij heen. “Binnen twee weken krijgt u de uitslag”. ‘Oh jee, foute boel dus’, concludeer ik. ‘Anders had ze mij wel een stille hint gegeven of even haar ogen geruststellend op de mijne laten rusten’. Dat wordt de komende uren of dagen spannend. Dat wachten op de uitslag is gewoonweg killing! Daarom doen veel mensen niet mee aan de screening
15:25: Nu ik voor mijn huis uit de auto stap merk ik dat ik mijn bloes niet bij me heb. Loop terug naar de auto, bel de bus: “wacht even er zit nog iemand in het kleedhokje…….nee, niets gevonden, goedendag mevrouw”. Rij toch maar weer het drukke verkeer in en een half uur terug naar de bus.
16:05: Parkeerterrein: geen bloes. In de straat verderop staat een kinderfietsje midden op de weg en ernaast ligt mijn bloes alsof iemand hiermee wil voorkomen dat auto’s er overheen rijden. Opeens staat er een klein meisje naast de fiets met licht blonde krullen en blozende wangen. “Dit is mijn bloes, ik was hem hier verloren”, zeg ik snel en pak de bloes van de straat. Er komt nog een klein meisje naast haar staan. “Ze hadden hem over die eend gelegd die daar ligt. En ik heb ‘m er afgehaald om te kijken hoe het met de eend is, of hij nog leeft.” Ik kijk in de berm en zie een dode eend. Er zwermen al een aantal vliegen om hem heen. Het meisje met het engelengezicht blijft op de straat staan. “Ik ben altijd heel lief voor dieren”, legt ze uit “En het is een kledingstuk, dus ik dacht ja.” Ik snap de logica van het meisje niet maar het signaal des te beter: zij is de engel des doods die wijst naar de eend, mijn lot. Eend waardoor ik jaren geleden vreselijk ziek was geworden, eigenlijk al dood had moeten zijn, en nu is mijn tijd echt op. Ben ik er klaar voor? Heb ik lang genoeg geleefd? Heb ik alles wel gezien?
28 september
13:50: Mijn verjaardag. En alsof ze het er om doen, ligt naast de traditionele verjaardagskaart van mijn zus de enveloppe van het bevolkingsonderzoek…. Eigenlijk had ik er de laatste dagen niet meer aan gedacht, nadat de eerste dagen voorbij waren gegaan. Als er iets niet goed was geweest zou de huisarts je toch bellen? “Nee hoor”, zei mijn buurvrouw, “Als het foute boel is belt echt niet altijd de huisarts, bij mij zagen ze ook wat en dat hadden ze gewoon per brief medegedeeld!” Maar uiteraard ga ik de enveloppe niet opmaken op m’n verjaardag! En ik stop hem in mijn tas. Morgen is vast ook nog wel op tijd om direct de huisarts te bellen mocht dat nodig zijn. Mijn prognose kan niet opeens dramatisch slechter worden wanneer ik nog 24 uur wacht.
29 september
10:35: Het moet nu maar gebeuren. Ik open de enveloppe en het eerste woord waar mijn oog opvalt is vetgedrukt en staat in de eerste zin: geen. Direct lees ik verder, want ‘geen’ kan ook slaan op ‘geen goed nieuws,’ ‘geen goede uitslag’ of ‘geen enkele kans op overleving’! Soms lees je in verhalen dat mensen het nieuws een paar keer opnieuw hebben moeten lezen voor ze beseften wat er stond. Dat kon ik altijd nauwelijks geloven. Je ziet toch direct wat er staat. Maar het is dus écht zo: je leest het, maar van spanning vergeet je een seconde later weer wat er stond, heel vreemd maar waar. Ik stop de brief in m’n tas om hem vervolgens weer eruit te halen. Telkens moet ik opnieuw lezen wat er nu werkelijk is geschreven achter het woord ‘geen’.Eén ding heb ik wel heel goed onthouden: ik laat voorlopig geen bevolkingsonderzoek meer doen!