Day dreamer

Het was ‘em. Onmiskenbaar. Ik heb vaak mannen voor hém aangezien, die het dus niet bleken te zijn en van dichtbij zelfs in de verste verte niet. Maar nu was hij het echt. Door de mensenmassa heen zag ik hem bij de bar staan, wachtend op een bestelling. Zijn blik geamuseerd zoals altijd, vol onverholen dedain. Met zijn hoofd een beetje schuin schoof hij een onwillige lok achter zijn oor waarmee hij de gebruinde huid van zijn bebaarde kaak ontblootte. Ik wilde niet gezien worden. Ik zou de confrontatie met zijn gezicht dat boekdelen zou spreken niet verdragen. Bij ons laatste treffen was ik ook geen natuurlijke schoonheid, maar in ieder geval wel jong! Ik liep terug naar waar ik vandaan kwam en voegde me weer bij het gezelschap van buurtgenoten waarmee ik op het dorpsfeest was. Plotseling hoorde ik zijn stem achter me: “Hé luitjes, what’s up? Is dit lang geleden of niet!” Zijn stem lager en milder dan ik me van hem kon herinneren en een grote ferme hand omvatte mijn zij, ongeveer ter hoogte van m’n middenrif en gloeide vervolgens op mijn huid. Ik bleef strak voor me naar de grond staren maar zag in mijn ooghoek dat hij de andere arm om mijn vriendin Marina had geslagen. Met beide armen om ons heen begroette hij het kringetje vrienden lachend en uitbundig. Ik voelde de warmte van zijn bovenarm op mijn wang door de zachte stof van zijn trui heen. Daar begon de muziek weer te spelen en iedereen zong en klapte mee. Ik sloop weg en zette het aan het eind van de bar vervolgens op een drinken.

Het feest was nog in volle gang toen Marina mij naar huis bracht. Onderweg had ik al een beetje tegen een gevel gekotst en daarna nog een keer in de badkamer. Mijn vriendin bleef trouw naast mijn bed staan tot ik goed en wel onder de dekens lag. Vervolgens hoorde ik haar op gedempte toon ruziën met iemand op de gang wiens stem ik niet direct thuis kon brengen. Ik voelde me geenszins geroepen om op te staan en me in de discussie te mengen. Alles draaide, mijn bed met name. Tenslotte viel ik in een diepe slaap.

Het geluid van de wekker was niet echt hard, maar wel dwingend genoeg om mij op het juiste moment weer bij bewustzijn te laten komen. Hij lag naast mij. Zijn ademhaling was traag en rustig. Zijn oogleden met de zwarte wimpers bedekten zijn prachtige ogen. Nooit eerder was hij zo dichtbij geweest. Een aanraking nog steeds onmogelijk. Ik herkende het vlekje op zijn neus. Zijn mond niet helemaal gesloten in een zachte trek. Ik zag het ontspringen van elke haartje op zijn wang. De snor naar binnen gekruld zijn lippen nét niet rakend. De gladde huid op zijn bovenarmen die uit het marineblauwe T-shirt staken. De aders op zijn hand waar het warme bloed door stroomde. Het litteken op zijn middelvinger. Ik kon niet kiezen waar ik het liefst naar wilde blijven kijken. Echter mijn eerste examenkandidaat stond over een uur gepland en dus moest ik er als een speer vandoor. Haastig zocht ik een stuk papier en vond alleen een nog ongeopende verkeersboete, waarschijnlijk voor het negeren van rood licht. Maar toen vervolgens de inkt uit mijn pen niet op de enveloppe wilde vloeien, liet ik het hele idee om een berichtje achter te laten varen. Met een bonkend hoofd reed ik over de snelweg naar het universiteitsgebouw.

Toen ik s’middags thuis kwam was hij weg. De hele dag had ik dromend doorgebracht. Ik stoof de trap op naar de slaapkamer. Ik sloeg de lakens van het bed en drukte mijn neus in ‘zijn’ kussen. Het rook naar shampoo, waspoeder en iets sterkers. Bij het voeteneinde waren er strepen van modder en bier dat waarschijnlijk aan zijn broekspijpen had gezeten. Gewapend met pincet en een klein plastic zakje speurde ik het bed, de slaapkamer, de gang en de badkamer af op zoek naar sporen van zijn aanwezigheid van afgelopen nacht; een haar of een pluisje van zijn trui. Maar ik vond niets.