De opruimcoach

“Vertel eens, hoe is het zo gekomen?” Ze houdt haar jas nog even aan als ze onze woonkamer binnenstapt. Een misprijzende blik glijdt over de stapels tijdschriften en prullaria op de vensterbanken en op de schappen van de boekenkast. De mokkapunt bij de koffie slaat ze af. “Als ik bij alle adressen waar ik kom, koekjes en taart aanneem, barst ik uit m’n voegen”. Alsof dik zijn een keuze is? Ik besluit direct om mijn eigen kruistocht tegen de kilo’s vandaag niet het onderwerp van gesprek te laten worden; één ding tegelijk.

Zij tovert een geruststellende glimlach op haar gezicht en kijkt mij met vragende ogen aan terwijl ze haar handen voor haar borst vouwt. Ik neem een grote hap adem en dan steek ik van wal: “Nou ja…, mijn vader bewaarde ook alles. Hij verzamelde touwtjes, elastiekjes, kurken en bidprentjes. Van die kurken wilde hij ooit nog iets maken. Hij gooide liever niets weg, maar kocht ook bijna nooit wat. Hooguit voor verjaardagen of met Sinterklaas. En als hij dan een cadeautje kocht, was het meestal iets dat je zelden nodig had: een toneelkijker, een leren fietstas, een nagelsetje in een rode etui (het merendeel van de onderdelen had een onbekende functie) en zilveren hangertje van de Brandwondenstichting. Toen mijn vader ter gelegenheid van Sinterklaas een tondeuse had gekocht werd het zelfs mijn moeder te gortig. Zij had de oorlog meegemaakt, dus daar heb ik het misschien van: beter mee verlegen dan om verlegen. Bovendien heb ik best vaak, dat áls ik iets nodig heb, dat ik het ook heb!” “Omdat je er drie paar van hebt, of misschien wel vijf, waarvan je er vier niet meer kunt vinden?” vult zij aan met rollende ogen. Dan loopt ze naar de uitpuilende boekenkast en weet er feilloos haar eigen werkje uit te vissen. Ze lacht minzaam om mijn bonte verzameling zelfhulpboeken op het gebied van opruimen, schoonmaken en het voeren van een perfect huishouden.

“Verder moet je ook tijd nemen voor je zelf,” predikt ze, een onberispelijk gemanicuurde wijsvinger in mijn schouder prikkend. In haar visie is dat niet: luieren in de zon, maar ’s ochtends op tijd opstaan, douchen, leuk aankleden, make-uppen, goed ontbijten en dan aan de slag.

“Wanneer ben je voor het laatst naar de kapper geweest? Zo zit je toch niet lekker in je vel?” Ze heft haar armen ten hemel. Ik voel me steeds kleiner en zieliger worden. Ik neem al de hele dag tijd voor mezelf, maar er komt niks uit m’n handen! Er zijn zoveel dingen die ik moet doen, terwijl ik eigenlijk iets leuks wil doen, maar dat mag dan weer niet voordat ik uberhaubt iets nuttigs heb gedaan en aangezien ik me daar niet toe kan zetten, doe ik maar niks. En dan is het cirkeltje rond. Dus vandaag leer ik om een plan te maken; me er aan houden is een tweede. Hoe doet zíj dat?

Gewoon er tegenaan! En we beginnen vandaag met de administratie. Start met een lege werkplek creëren bijvoorbeeld op je bureau. Achterstallige betalingen moeten als eerste aangepakt worden. De rest mag weg. Maar elke zelfgekleurde verjaardagskaart, kattenbelletje of herinnering aan een vrolijke onbezorgde kindertijd schreeuwt om bewaard te mogen worden. Voor als de kinderen ooit zouden gaan twijfelen aan mijn geheugen en zich een vreselijke jeugd willen toe-eigenen waarop ze hun tekortkomingen kunnen verhalen. Aan het eind van een hele ochtend sorteren en verplaatsen van spullen van de ene ongeordende kamer naar de andere, heb ik het idee dat we geen steek zijn opgeschoten. Met een ‘tja, je moet het toch zelf doen!’ neemt de opruimcoach-aan-huis tenslotte afscheid, maar niet voordat ze mij een gepeperde rekening heeft overhandigd. Ik zwaai haar uit tot ze de hoek om is en met een diepe zucht loop ik terug het huis in. De actiepuntenlijst is langer geworden dan ik ooit had vermoed. ‘Zodra ik het eerste klusje klaar heb, trakteer ik mezelf op de overgebleven mokkapunt’, bedenk ik strijdlustig. Maar als er aan het eind van de middag nog niets is verplaatst, laat staan opgeruimd of betaald, omdat ik verdronken was in mijn opstellenschrift van de lagere school, eet ik desondanks de mokkapunt op.

“Wat heb jij op je wang?” gilt mijn dochter als ik haar bij school ophaal. In het autospiegeltje zie ik een verwaaid gezicht met naast de mondhoek een klodder slagroom. Ik kreun: ‘ik ben een total failure…’.