grandma toos

Dit is een spreekwoord. Het komt overeen met 't gezegde: Ben jij gek! De vraag is: hoe voelt het eigenlijk om zestig te zijn?

Stopwoordallergie

Misschien is er wel een mooie Latijnse naam voor overgevoeligheid voor stopwoordgebruik. Voor mensen die bijna alleen maar in gemeenplaatsen praten, die elke discussie afkappen met dooddoeners of louter hippe woordclichés gebruiken. ‘Komt goed’ is al een tijdje in en nu is ‘snap ik’ de nieuwe taaltrend, met name voor types die empathisch over willen komen. ‘Ik was zo boos toen de bus voor m’n neus wegreed’. ‘Ja, snap ik!’ Ook verkleinwoordjes gebruiken om de situatie Facebook-proof te laten lijken. ‘We wonen hier echt héérlijk in het souterrain, maar dat de WC overstroomt bij elke hoosbui omdat het riool overbelast raakt, is nog even een dingetje…’

We hebben een tijdje op kantoor een pot gehad waarin een 10 cent penalty voor het uitspreken van de woorden ‘zeg maar’ moest worden gestort. Onze werkdag bestaat hoofdzakelijk uit het geven van advies, liefst zo exact mogelijk en niet ongeveer of zo’n beetje. De vage toevoeging ‘zeg maar’ in een zin geeft aan dat je enigszins terughoudend bent in de stelligheid waarmee je een bewering doet en dat is nou net wat we niet willen overbrengen ‘met z’n allen’. De aannemer die onze verbouwing leidde wist het doneren in de Zeg-maar-pot te omzeilen, want in plaats van te pas en te onpas ‘zeg maar’ te gebruiken, verpakte hij zijn voorstellen voorzichtig in door elke zin met ‘gek gezegd’… te beginnen én te eindigen. Wel origineel en heel grappig. Maar eigenlijk is dit een soort vals spelen, zeg maar.

Waar ik me ook vreselijk over opwind is het klakkeloos overnemen van modewoorden met name door medewerkers iets hoger in de afdelingshiërarchie, die dan met termen strooien als ‘ruis op de lijn’ als opdrachten gewoon niet goed opgevolgd worden en ‘cascaderen’ als je de oplossing van buiten de afdeling moet zoeken. Waarom noem je het beestje niet gewoon bij de naam! Dit specifieke woordgebruik is vast op een cursus geleerd en vervolgens nemen ze het van elkaar over. Kijk mij eens goed bezig: ik gebruik jou stopwoord! Jeuk krijg ik er van.

Zo heeft ons afdelingshoofd de neiging om in elk betoog ettelijke keren ‘ik vind oprecht…’ te zeggen. Nu is dit een prachtig woord dat terecht een revival doormaakt, maar de veelvuldigheid waarmee hij het in vergaderingen zegt geeft mij het onbestemde gevoel dat hij zich daarbuiten niet altijd even eerlijk uitspreekt. Hoe kun je trouwens iets niét oprecht vinden?

Waarom trek ik me bepaald taalgebruik zo aan? Zoals ‘Ik ga je zien!’ in plaats van ‘See you!’ uit t Engels, dat opeens her en der opduikt. Waar ik waarschijnlijk overgevoelig voor ben is het elkaar achterna lopen, want dat heeft iets lafs en bovendien iets griezeligs. Mensen die zo makkelijk met elke woordwind meewaaien, in welke situaties zullen ze dan nog meer klakkeloos volgen?Naast me ergeren, kan ik ook intens genieten van taal en heb ik mateloze bewondering voor mensen die met woorden kunnen goochelen. Bovendien ben ik dol op woordgrappen. Wie hangt er nou niet aan de lippen van een origineel en erudiet persoon? Ergo… (een prachtig woord dat wat mij betreft dan weer wél wat vaker gebruikt zou mogen worden).

Incontinentiestrijd

Hoor je nog wel eens iemand in je omgeving zeggen: “Ik deed het in m’n broek van het lachen?”. Nee hè? Komt zeker te dicht bij? Ik weet niet meer precies wanneer het bij mij begon. Al zeker een paar jaar geleden, toen mijn vriendin en ik vreselijk de slappe lach hadden terwijl we met onze zelfgemaakte werkjes van een knutselavond naar huis liepen. Thuisgekomen belden we elkaar op om te bekennen dat we de hele boel uit hadden kunnen wringen. Vervolgens bij het hardlopen, bij springen op de trampoline… Maar ook gewoon tijdens een lange wandeling op een koude dag hou ik het tegenwoordig niet meer droog. Nooit meer zonder inlegvel naar de gym.

Om incontinentie uit de taboesfeer te halen heeft de Continentie Stichting Nederland 21 september als Nationale Plasdag uitgeroepen. Dit moet hoognodig! Want je plas niet op kunnen houden kan tot uitsluiting van deelname aan het gewone leven leiden en uiteindelijk resulteren in isolement en eenzaamheid. Dat willen toch niet met z’n allen? De drempel om hulp te zoeken voor dit probleem moet veel lager worden. Ook zouden incontinento’s recht moeten hebben op voldoende toiletten in winkelcentra en uitgaansgelegenheden zodat ze deze plaatsen niet meer hoeven te mijden. Broekplassen moet eigenlijk net zo gewoon worden als ongesteld zijn.

Waar maatschappelijke thema’s aangepakt worden ruikt de commercie een kans en laat zien dat paraderen in een bakpakje tijdens het carnaval van Rio, al lekkend in je luier, tegenwoordig prima kan: je bent zestig wat houd je tegen? Zij adverteert zelfs met dertigers die een light-versie van hun incontinentiemateriaal aanprijzen; je kan er niet vroeg genoeg aan wennen!

Onzin al die dure inlegkruisjes en milieuvervuilende plas- tic matjes om te voorkomen dat je bij elke onverwachtse beweging of niesbui de lauwe thee voelt lopen, roept de bekkenbodembrigade. Gewoon een kwestie van niet aan toegeven! Bijna 80% wordt klachtenvrij met 15 minuten oefenen per dag. Maar het is wel een opgave hoor en nog niet zo makkelijk ook. Ik krijg er helemaal blaaskriebel en kippenvel van. Toch vind ik het wel het proberen waard. Je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen! Wist je dat er serieus een app bestaat die je kan helpen ‘Oeps-momentjes’ te voorkomen, door je op gezette tijden te herinneren aan je BB?

Eerst maar eens ‘droog te oefenen’ had ik besloten, maar swipe toch nog even langs allerlei hulpmiddelen die te koop zijn om je bekenbodemspieren nog meer te versterken, variërend van eenvoudige balletjes tot hele elektrische apparaten die nadat ze zijn ingebracht verbonden zijn met je telefoon. Sommigen beloven je meer dan alleen je incontinentie verbeteren…

En zo komt wéér een aanvulling op het arsenaal aan dagelijkse rituelen dat de laatste jaren al was uitgebreid met tandenstoken bovenop het flossen, twee keer per dag pillen en een half uur intensief bewegen. Jawel : 3 keer per dag een setje bekkenbodemoefeningen. What’s next?

Curlingmoeder

Het is vast van alle tijden dat ouders hun uiterste best doen om voor hun kinderen van alles te regelen. Dan kunnen ze lekker genieten van hun jeugd, later krijgen ze nog stress genoeg. Of ouders willen ervoor zorgen dat hun kinderen geen kansen mislopen, zoals ze zelf wellicht kansen hebben gemist (of hebben laten liggen!) omdat ze nét niet dat zetje hebben gekregen en nét niet die helpende hand om uiteindelijk op de volgende tree van de maatschappelijke ladder te komen. Er zijn ook ouders die vooral hun kind voor van alles en nog wat willen beschermen, want hun tere zieltje zou allerlei ellende niet kunnen verdragen en de gedachte alleen al zou een trauma opleveren. “Nee hoor, ik waarschuw mijn kinderen niet voor kinderlokkers, daar worden ze maar bang van” Hou ze vooral naïef! Ten slotte heb je nog de prinsjes en prinsesjes wiens ouders menen dat hun kinderen recht hebben op geluk. Dus als je een keer pech hebt, dan moet je je gelukt opeisen, al kost het je je goede reputatie. “Onze Chelsey rijdt nu al voor de tweede keer deze maand op die bokkige pony, terwijl ze nog geen één keer op Silver Star heeft gemogen, dat vindt u zelf toch ook niet eerlijk?”

Mijn omgeving denkt dat ik het heb uitgevonden, maar de term curlingouder is bedacht door de Deense psycholoog Bent Hougaard, doelend op ouders die overmatig beschermend zijn en alle obstakels voor hun kind willen wegnemen. Daartegenover staan de ouders die vinden dat kinderen hun neus moeten stoten anders leren ze niks en komen ze zichzelf tegen in de grote-mensen-maatschappij, én de ouders die er prat op gaan dat hun liefdevolle verwaarlozing evenwichtige en zelfstandige kinderen voortbrengt.

Curlingouders passen precies in het huidige tijdsbeeld, waarin gedacht wordt dat het leven maakbaar is. De meer spirituele medemens zal beweren dat er uiteindelijk altijd wel iets goeds op je pad komt, die gelooft in een happy ending. Wat dat betreft ben ik wat fatalistischer; ik denk namelijk dat pech overal op de loer ligt. En wat is er dan fijner dan dat er iemand je een helpende hand biedt? Zoals de goede fee uit Assepoester, die te hulp schoot op het moment dat alles hopeloos leek.

Maar is het zo dat mensen die als kind overal mee geholpen zijn, nooit zelfstandig zijn geworden? Dat ze niet weten hoe ze zichzelf uit de modder moeten te trekken? Heeft het bemoederen desastreuze gevolgen gehad voor hun latere leven? Geen idee! Maar wat ik wel weet is dat in de grote boze wereld mensen elkaar echt wel helpen. Hoor ik mijn collega zeggen: “Tja, dan moet je op de blaren zitten…”, als ik m’n pen en de notulen vergeet mee te nemen naar de stafvergadering, waar ik ook nog eens te laat binnenkom? Nee natuurlijk niet! Van links krijg ik dan snel een pen aangereikt en mag ik met de buurman rechts meekijken op zijn blaadje (mits ik een paar keer ‘sorry-sorry-sorry’ mompel).

Eens: van fouten maken leer je, zoals je er van leert als je een ei probeert te koken in de magnetron. Maar van pech wordt je cynisch en inert. Je durft geen stap buiten de gebaande paden te zetten want op een vangnet als het misgaat hoef je niet te rekenen. Tegenspoed, teleurstelling en verslagenheid horen bij het leven, maar kan het echt zo veel kwaad als je je kind laat weten dat je intens meeleeft en altijd bereid bent te helpen zoeken naar een oplossing?

Niet voor niets propageert dokter Sophy, de beroemdste kinderpsychiater van Amerika, ‘Side by Side’. Vraag liever: ‘wat heb je van mij als ouder nodig om je doel te bereiken?’ in plaats van: ‘Je moet beter naar mij luisteren’ of ‘Zoek het uit!’ De enigen die hun succes te danken hebben aan te weinig aandacht in hun jeugd zijn kunstenaars en criminelen. Ik betwijfel het of het wetenschappelijk is aangetoond dat kinderen die alles alleen hebben moeten doen het verder schoppen dan kinderen die over het paard getild zijn.

Onze eigen Hollandse Annette Heffels, psychologe en columniste, is ook een rasechte curlingmoeder, streng doch rechtvaardig voor haar patiënten, maar waar het om haar kinderen gaat, wil ze het geluk graag een duwtje in de goede richting geven. Van het maken van hele schoolwerkstukken voor dochterlief tot het pamperen van haar bijna afgestudeerde zoon voor een belangrijk tentamen. Om er voor te zorgen dat ook andere ouders hun kinderen op de juiste manier helpen met hun schoolcarrière citeert Annette uitgebreid Anna Williamson, schrijfster van het boek ‘Breaking Mum and Dad’ over stress bij ouders van scholieren. Hier volgen een aantal geboden: reageer niet te bezorgd, want het kind ziet dit als ‘geen vertrouwen in hem hebben’. Maar doe ook niet te laconiek of bagatelliseer zijn situatie niet, dan heeft hij óf het idee dat het allemaal niet belangrijk is óf dat het jou niets kan schelen, kortom: desinteresse. Opgeruimd roepen: “Komt goed!” is uit den boze (en trouwens nergens op gebaseerd, want je kind kan ook pech hebben en dan komt het dus helemaal niet automatisch goed; waar sta je dan met je mooie praatjes?). Geef geen commentaar of advies, maar ga in op een concrete hulpvraag. Als kinderen geen hulp willen, spreek dan je waardering uit voor hun geploeter en bied ze iets lekkers aan. Zeg niet: “Als je je best maar doet!”, maar: “Ik weet dat je je best doet!” deze kleine nuance schijnt bij een kind het verschil te kunnen maken tussen: ‘laat maar zitten’ en ‘vanaf nu een tandje harder’. Je moet ook vooral geen telefoons innemen of huisarrest instellen, maar dat zou ik als de aller-liefste-moeder-van-de-wereld uiteraard never doen.

Ziekmelden zodat er nog even langer voor een proefwerk geleerd kan worden, rijden als het regent, vergeten gymspullen nabrengen, frans boekje samenvatten, helpen met verslagen om precies 2 voor twaalf (ik overdrijf het was 3 voor twaalf) de deadline voor inleveren te halen want daarna verdween de uploadbutton op de site, plaatjes downloaden voor een spreekbeurt, bronnen zoeken voor een essay… ik geef het toe, ik heb het allemaal voor mijn bloedjes gedaan. En worden het nu slampampers? Zonder incasseringsvermogen, verstoken van enige vorm van zelfredzaamheid, eigenschappen die ze in het ‘echte’ leven zo hard nodig hebben?

Ik ga er vanuit dat het ook van alle tijden is dat kinderen uiteindelijk hun ouders de schuld geven van alles wat er in hun volwassen leven mis gaat. Maar die zogenaamde millennials, zelfingenomen en met hun te hoge verwachtingen van de huidige faciliterende technische mogelijkheden, die wij gecreëerd zouden hebben blijken gelukkig niet te bestaan. Generatie Y onderscheidt zich misschien wel van de onze op een positieve manier: door hun idealisme en hun flexibiliteit. Nou daar kunnen we alleen maar trots op zijn, wij curlingmoeders. Benieuwd hoe het generatie Z zal vergaan. Die hebben dan zeker weer last van overactieve curlingoma’s!

Meer dan 70 jaar vrijheid.

We hebben een paar jaar geleden allebei een nieuwe fiets gekocht. Al maanden had ik niet meer gefietst en toen we ietsjes onwennig slingerend de straat uit en de dijk opreden, voelde ik me net opa en oma die een eindje gaan fietsen.

Onze grootouders hebben die tijd nog meegemaakt dat uberhaubt het hebben van een fiets iets heel bijzonders was. De tijd dat je werd aangehouden en je fiets in moest leveren. Dat je om onduidelijke reden kon worden opgepakt. In geen enkele oorlog ben je vrij, geldt de noodtoestand, worden mannen beschoten en vrouwen verkracht. Of ze laten je wegrotten in een kamp of gevangenis, je afvragend of er daarbuiten nog redelijkheid bestaat. Meer dan zeventig jaar vrijheid. Bij de dodenherdenking in onze stad komen elk jaar meer mensen, meer ouderen en meer jongeren. Ook de afgelopen keer. De stille tocht van de kerk naar het oorlogsmonument leek wel een protestmars. Protest tegen al het oorlogsgeweld in de wereld en tegen de dreiging van extremisten die onmenselijkheid als enige oplossing zien om hun ideale samenleving te bereiken. Ze onthoofden de ongelovigen en sluiten diens dochters op om als sexslavinnen de zonen van Allah te dienen. Die complete willekeur waarmee er met mensenlevens wordt omgegaan maakt een oorlog zo afschrikwekkend, alsof er aan de kant van de vijand totale gewetenloosheid bestaat. Of is het alleen maar angst en wanhoop die tot vreselijke daden aanzet?

Onze ouders vertelden best vaak over de oorlog. Met name toe ik klein was en we zondags naar Limburg reden, naar opa en oma, waar we voorbij kapotte huizen reden en er her en der nog betonnen bunkers in de omgeploegde akkers stonden. In de keuken van oma wees mijn vader de granaatinslagen op de tegelmuur boven het fornuis aan. Bij mijn ouders leefden we in de sixties, bij mijn grootouders was de tijd in 1945 stil blijven staan en alles om hun heen leek vooroorlogs. Mijn opa bleek in de oorlog erg bang geweest te zijn en zelfs depressief. Mijn vader, die natuurlijk een jonge held was, had hier desondanks geen oordeel over: “Nee, ik vond hem niet laf of zo, zo was hij nou eenmaal”. Oma had mijn vader aan het eind van de oorlog gevraagd of hij niet beter binnen kon blijven in plaats van met gevaar voor eigen leven, gewonden van het slagveld bij de Maas te halen. “Die andere mensen doen dat toch ook niet?” riep ze hem verontwaardigd toe als hij ondanks het luchtalarm het huis uitging. Ze gingen met z’n tweeën, twee jongens, met een kar met een pony het gevaar tegemoet. Ook was hij bijna opgepakt om in Duitsland te gaan werken, maar hij ruilde een tabakspijp voor zijn vrijheid. ‘Een goede Duitser’, zei mijn vader over de soldaat die hem had laten lopen. ‘Vast’, hoonde mijn moeder dan. Mijn vader heeft een medaille gekregen voor zijn Rode Kruis werk. Aan het eind van zijn leven kwam de oorlog nog vaak naar boven. In dagdromen en tijdens verwarde perioden. Dan dacht hij dat de Joodse onderduikers die ze in het plaatselijk ziekenhuis hadden verborgen, tijdens de vele razia’s, werden ontdekt. Hij had ook een pistool ergens moeten verstoppen voor mensen van het verzet, en op een keer had hij dat meegenomen bij het ophalen van gewonden vlak bij het front. Hij zou toen hebben geschoten in de mist, maar niet wist of hij iemand geraakt had. Hij vertelde dit ooit met horten en stoten alsof hij de waarheid wel wilde vertellen, maar niet durfde. “Had je die persoon geraakt?” vroeg ik hem. “Dat weet ik niet!” schreeuwde hij toen, “Dat kon ik niet zien!” Hij zat er dus na al die jaren nog steeds mee. Er is nog een dagboekje van hem over de oorlog waarin wellicht de details hierover staan, maar dat is naar het bureau voor oorlogsdocumentatie in Den Haag gegaan geloof ik.

Het was juist de vrijheid die mijn vader in de oorlog had ervaren, de vrijheid om zijn eigen keuzes te maken, om zijn eigen leven in de waagschaal te stellen in het spannende tieneravontuur waarin hij zelf de hoofdrol speelde. Hij moet gedacht hebben dat hij onoverwinnelijk was, toen hij onder het granaatvuur maar niet geraakt werd.

Hoe anders was het voor mijn moeder die gedwongen werd om in een vrouwenkamp aan de andere kant van de wereld voor haar zusje en haar kwakkelende moeder de kooltjes uit het vuur te halen, te werken op het land en te buigen voor de Jappen die zo lelijk waren dat je ogen er pijn van deden… De ouders van mijn moeder hadden namelijk besloten niet te buigen. En wat was hun beloning voor hun vaderlandsliefde? Iedereen die niet voor de nieuwe machthebbers tekende werd geïnterneerd. Nooit had mijn moeder durven dromen dat een jarenlange hel het gevolg was van hun ’moedige’ keuze voor Holland. En niemand kwam hen te hulp. Nooit zou ze die beslissing weer nemen, vertelde ze, liever was ze een lafaard buiten het kamp geweest dan weg te hebben moeten teren achter het prikkeldraad. De mensen die zo uit de handen van de Japanners wisten te blijven zijn hier na de oorlog verder nooit op aangekeken, heel anders dan het hier in Nederland de NSB-ers is vergaan. Mijn moeder moest zwoegen onder de ogen van sadistische Koreaanse bewakers. Deze mensen hebben haar jeugd afgepakt, een onbezorgde jeugd die anders bol gestaan zou hebben met uitjes, dansen, zwemmen en feestjes. Het hadden haar beste jaren moeten zijn.

Voor mijn vader was de oorlog misschien de mooiste tijd uit zijn leven. Hij heeft het een paar jaar geleden toegegeven. Hij ging niet meer naar school, die was gesloten, niemand zei hem wat hij moest doen, hij hoefde alleen zijn woest kloppende jongenshart te volgen en het weidse landschap in Limburg in te trekken. Mijn moeder had juist geen enkele vrijheid, moest alles doen van iedereen, van de onderdrukkers, van de kampleiding, voor haar moeder die zwak en ziek was, voor haar jongere zus. Geen enkele keuzevrijheid, niet de vrijheid om voldoende te eten, om niet ziek te worden. Je kon niet eens kiezen om in leven te blijven. Je kon nergens naar toe. En het paradijsje waarin ze voor de oorlog leefde smolt langzaam weg tot een herinnering aan een zonnige dag. Na de oorlog moest mijn moeder weer vluchten voor haar leven, toen ze beschoten werd door inlanders die zich in hun woning hadden verschanst. Vrijheid is voor haar dus zo essentieel geworden. Nooit meer oorlog, nooit meer honger. Met als gevolg: een kelder vol blikjes ravioli en witte bonen in tomatensaus, en een vrieskist vol vlees, groeten en ijsjes. Mijn moeder verwijt mijn vader dat hij niet weet waar hij over praat als hij het over de schaarste in de oorlog had. “Wij aten sprinkhanen!” riep ze dan, “Honger? Wat weet jij daarvan?” Nee, dat wist mijn vader inderdaad niet. Zijn ouders hadden aan het einde van de oorlog nog zelfs een varkentje dat ze in de kelder verborgen hielden en schillen voerden. Toen het te veel in de gaten begon te lopen hebben ze het maar geslacht en opgegeten.

Mijn moeder was gelukkig niet door de bezetter misbruikt. “Afgezien van het feit dat ik daarvoor veel te mager was, hadden twee zusjes, die Japans recht bestudeerd hadden, de leiding van het kamp gewezen op het feit dat meisjes gebruiken een oorlogsmisdaad zou zijn en ze dat zouden melden bij de hoogste leiding (misschien wel aan de keizer).” Dus in hun kamp geen ‘troostmeisjes’.

Wat mijn vader en moeder gemeen hebben is dat ze iets wezenlijks in de oorlog hebben achtergelaten. Mijn vader was, net als koningin Wilhelmina, zeer teleurgesteld in het naoorlogse Nederland. Geen enkele saamhorigheid meer, geen plek meer voor helden of heldhaftigheid. Nederland was weer verworden tot een slappe, laffe, zelfzuchtige, verdeelde boel. Mijn moeder daar en tegen zou na de oorlog nooit meer klagen, want wat er ook gebeurde, in het kamp was het altijd erger geweest. Wat kon ze genieten van kleine dingen en onbezorgd haar schouders ophalen bij tegenslagen. Hoe groot was de teleurstelling en ontzetting toen ze, even voor ze met pensioen zou gaan, plotseling met een halfzijdige verlamming in een rolstoel bij huize Hoensbroek in Limburg werd afgeleverd. “Het kan dus echt nog erger: zelf niet uit bed kunnen of gevangen in een rolstoel en niet weg kunnen lopen. Onder bevelen het dagprogramma vol angst en pijn moeten doorstaan en niemand die je helpt.” Toen ik haar tijdens een bezoek in het zwembad zag spartelen en naar adem zag happen omdat ze nauwelijks haar hoofd boven het water wist te houden, terwijl de trainer haar liet begaan, omdat dit haar zelfredzaamheid zou bevorderen, had ik het zelfs te kwaad. In het kamp had ze tenminste nog de vrijheid gehad om een eindje te lopen, om zich zelf te wassen en zo goed en zo kwaad als het kon wat eten bij elkaar te scharrelen. In het revalidatiecentrum was ze totaal afhankelijk, voor alles; helemaal overgeleverd aan de grillen van het verzorgend personeel, die haar in het Limburgs van alles toeriepen. Ze klaagde over eenzame slapeloze nachten, pijn, krampen en altijd de angst om te vallen… nee, Hoensbroek was nog erger dan het kamp. Op een middag was ze met een medepatiënt, Jan, stiekem weggerold achter de struiken tijdens een verplichte sportdag. Voor haar een grote overwinning op het strenge regiem in de instelling. Lekker ontsnapt! Vrijheid!

Wat is vrijheid nu? Mijn moeder vond dat ik helemaal niet zulke grote ambities hoefde te hebben en mezelf niet moest kwellen en afpeigeren in het leven, want zo lang er geen oorlog was, kon je beter genieten.

De betekenis van vrijheid is voor mij zeker beïnvloed door mijn moeder, namelijk altijd je eigen keuzes kunnen maken. Ik besefte dat je hier ook voldoende middelen voor moest hebben. Van jongs af aan heb ik gewerkt, gestudeerd en gespaard met de bedoeling om nooit afhankelijk te hoeven zijn van wie dan ook. Ik wilde altijd in de gelegenheid zijn om ‘weg’ te kunnen. Weg van een baan waarin ik mogelijk gevangen zou te komen te zitten, weg van een man die je dagen tot een nachtmerrie zouden kunnen maken, weg uit een verstikkend huis of uit een buurt waar ze je liever zien gaan dan komen. En tenslotte weg te kunnen uit een land zodra er oorlog komt.

Maar in deze tijd van dreigend extremisme is vrijheid voor mij ook dat mijn dochters met hun lange wapperende haren over de dijk naar school kunnen fietsen en zoveel verschillende vrienden en vriendinnen kunnen hebben als ze willen. Dat ze straks bij de komende verkiezingen mogen gaan stemmen op wie ze maar willen. Nou, niet helemaal op wie ze willen… natuurlijk wel op een vrouw!

Hoe gaat ‘t? Beter?

Het gaat de laatste tijd nergens anders meer over, heb ik het idee. Elk praatje bij de bakker of de slager lijkt wel een wachtkamergesprek bij de dokter.

“Hé, hoe’st nou?” vroeg ik vorige week vrolijk aan de achterbuurvrouw. “Nou, niet best… ik moest maandag terug naar de tandarts, ik had zo’n wang!” Het bleek een gecompliceerde wortelkanaalbehandeling waarbij een sliertje zenuwweefsel was achtergebleven, met een enorme ontsteking tot gevolg. “En die bobbel op m’n schildklier, daar moet ik ook nog een keer naar laten kijken. Zou het iets ergs zijn?” Er was inderdaad een vreemde zwelling te zien in haar hals. Ik had geen idee, ik ben geen dokter. Even later een bekende op een terrasje: “Ja slecht nieuws… mijn vader heeft prostaatkanker. Uitgezaaid. Hij merkt er zelf niks van. Zijn PSA-waarden waren gestegen en de botscan: ook niet oké. Hoewel laatst is zijn PSA weer gedaald en nu weten we het ook niet meer. Zouden die waarden wel kloppen?” Geen idee, ik wist het ook niet.

Kennisje in het restaurant: “Nou, eindelijk weer eens getennist na die operatie, wat een toestand! Nooit gedacht dat het helemaal goed zou komen na die bloeduitstorting, de dokter kon het ook niet voorspellen. Ik kan nu gelukkig alles weer, maar wel rustig aan.” Een blauwe plek lost het lichaam gewoon vanzelf op dacht ik. “Nee, hoor niet altijd!” sprak ze met grote stelligheid. Ook goed, ik ben tenslotte geen dokter.

Denk je in de sportschool allemaal gezonde body’s aan te treffen, is lichamelijk trammelant het enige onderwerp dat de boventoon voert. Vrouwtje naast mij: “Wil ik naar links, verdomt m’n been een stap op zij te zetten. Ik weet niet wat er aan de hand is?” “Ja, ouderdom komt met gebreken…”, zegt de oudste van onze groep van Dans-je-fit-les. Zij kamt sinds kort met een overactieve schildklier waarbij ze vooral last heeft van haar ogen, die ze voortdurend met een zakdoekje dept. Het ‘meisje’ vandaag rechts van mij kon niet met alle oefeningen meedoen door een fozen schoulder. Hip-Hoppen ging nog wel, maar bij Dancehall moet toch echt met je armen zwaaien. Ze was bovendien al een tijdje niet geweest vanwege een kaakontsteking…

Tia’s, artrose, fibromyalgie, hartritmestoornissen, er is geen aandoening of hij komt in onze buurt voor. En ik kan er niets aan doen, behalve op gepaste momenten “Jeetje…”of “Poeh wat vervelend!” roepen. Ik kan ook vrij weinig bedenken wat niet al gedaan of geprobeerd is, zoals medicijnen of een second opinion, en bovendien ik ben geen specialist. Ik vind het echt heel moeilijk om te moeten aanzien dat ons leven nu steeds meer beheerst wordt door kwalen en aandoeningen die we hebben of ziekten waarvan we bang zijn dat ze ons leven zullen gaan beheersen. Kunnen we niet terug naar de tijd dat gesprekken gingen over leuke dingen die we hadden meegemaakt of grappige gebeurtenissen waar je hardop om moest lachen?

Prima en juist goed om de hedendaagse pijn en het leed van je af te praten; gedeelde smart is nog altijd halve smart. En daarom blijf ik geduldig luisteren en af een toe een arm om iemand heen slaan, want ik ben tenslotte geen dokter.

“Maar Toos, hoe is het nou met jou?” – “Nou… eh, er is afgelopen vrijdag een ijzeren klapstoeltje op m’n teen gevallen. Niet blauw, maar wel even pijnlijk.” – “Ai wat naar!” – “Tja, leuk is anders!” en ik trek een sip gezicht. Daar moest iedereen hard om lachen.

Als ze toch nog zo graag wil?

Ada, heet eigenlijk Aaltje. Daar kwamen we onlangs achter toen ze werd toegezongen door neven en nichten op haar tachtigste verjaardag. Ze haalden herinneringen op uit haar jeugd, uit de tijd dat ze als boerendochter het platteland leek te ontstijgen door op het dak van het kippenhok te gaan zonnen met als gevolg dat voorbijfietsende knechts bijna van de dijk de sloot in reden in een poging een glip van haar gebronsde lijf op te vangen. Overal waar ze kwam trok ze bekijks. Ze liet haar blonde haren wapperen in de wind en liep met soepele tred. Ze was voorbestemd om een wereldse vrouw te worden, haar horizon rijkte verder dan de boerderij. Ze ontmoette een student, maar mocht niet eerder met hem trouwen voordat hij klaar was met studeren. Óf ze kon zijn studie gaan betalen als ze toch met hem in zee ging, wat ze deed. Overdag stond ze voor de klas en ’s avond maakte ze kantoren schoon, terwijl haar echtgenoot de student uithing en vervolgens zeer verdienstelijk als arts de maatschappelijke ladder beklom. Ze wist van aanpakken, dat had ze vast van de boerderij. Je kunt het meisje uit de polder halen, maar je haalt de polder niet uit het meisje. Ada heeft inmiddels de hele wereld over gereisd, is altijd hip gekleed en verzamelt dure sieraden. Het enige dat haar nog aan haar boeren verleden herinnert is de manier waarop ze haar dessertlepel vasthoudt, zoals een spade die in de klei wordt gedreven of de soeplepel in de havermoutsepap: alle vingers stevig om de steel geklemd met de witte knokkels naar boven. Dan hangt ze boven haar schaaltje alsof ze wil zeggen: ‘dit nemen ze me niet af!’ Het kan natuurlijk ook zo zijn dat ze de pen-houding al lang niet meer machtig is vanwege een ongelukkige breuk van haar rechter duim, maar het valt mij gewoon op, juist omdat het bij haar zo uit de toon valt.

Gisterenavond was ik nog lang bij haar gebleven. Ik denk altijd, dat ik de laatste ben die ze belt als ze om bezoek verlegen zit. Ze klaagt. Ze heeft ook een boel reden om te klagen, maar het was deze keer een litanie van fouten en misstanden die ze te verduren heeft in het verzorgingshuis waar ze zich eigenlijk te jong voor voelt. “Iedereen die hier zit is blij dat hij z’n laatste dagen in alle rust en verzorging kan slijten, nooit meer zelf aardappelen hoeven schillen! Maar ik wil nog zo veel, maar ik kan het niet meer. De meesten hier zijn over de negentig en vinden het wel best. Ik wil m’n huis nog opknappen, m’n kleinzoon laten logeren, naar buiten toe, naar clubjes! Vaak heb ik zo’n pijn, dan hou ik het niet meer uit. We hebben het wel eens gehad over euthanasie, maar zo’n dag afspreken waarop je dat dan moet doen, met je hele familie om je heen en dan een spuitje… nee, lijkt me helemaal niks! Het liefst ga ik gewoon in m’n slaap, met niemand erbij.” Tja, dat wil iedereen, dacht ik, maar dat heb je niet voor het kiezen. Je kunt het toeval niet dwingen. “En als je nou eens stopt met al je pillen?” opperde ik voorzichtig. “Nou, in welke ellende kom je dan?” antwoordde ze afwijzend. Dus dat gaat ze ook zeker niet doen.

“De verzorging is hier vreselijk! Ik heb dan wel een niet-reanimeren-verklaring, maar dat wordt in huis uitgelegd als: niet haasten als ze bijna stikt. “We doen niets voor u hoor als u zo benauwd bent, want u gaat dan toch dood!” Kun je voorstellen? Dat zeggen ze gewoon: ‘ u gaat toch dood!’ Laatst had ik zelf 112 gebeld omdat het zo lang duurde voordat er iemand kwam. Dat hebben ze me zeer kwalijk genomen… Op een avond toen er bij de buurman niemand op zijn alarmknop reageerde ben ik met mijn scootmobieltje alle drie verdiepingen van de verzorgingsflat afgereden. Je kunt aan de voordeur zien of er een verzorgende binnen is omdat die dan open staat. Ze gaan nooit naar binnen zonder de deur open te laten. Ik kijk op de 3e verdieping: niemand te zien. Ik rij de hele 2e verdieping af: niemand, geen deur open. De 1e verdieping: alles dicht. Kom ik op de begane grond: zitten ze daar met z’n zessen koffie te drinken. Ze zullen het best druk hebben, iedereen heeft het druk, maar dan denken ze bij zo’n alarm: oh mijnheer Beukers, laat die maar even wachten, eerst koffie! Elke keer als ze te laat bij je komen is er een excuus: oh ik was even bezig bij een mevrouw die in bed geholpen moest worden… oh ik was even bezig met een mijnheer die in z’n broek gepoept had… enz. enz. – Wil je trouwens nog een chocolaatje? – Om de haverklap overlijdt er hier iemand, verschrikkelijk! De meesten zijn al erg oud, maar ik weet zeker dat ze hier overlijden terwijl dat niet had gehoeven. Verkeerde medicijnen die worden uitgedeeld, hulp die te laat komt, , familie te laat inlichten dat pa of ma snel achteruit gaat, ga maar zo door, het is hier een zootje. Er schijnt een regel te bestaan om in het weekend geen huisarts te laten komen. Er heerst hier een belachelijke hiërarchie. De verzorgenden mogen niets doen zonder de verpleegkundigen en de verpleegkundigen commanderen de verzorgenden. Er zijn er verschillende bij die vreselijk dik zijn en zo incapabel. Sommigen zijn echt uitschot, echt géén niveau!” Ik kom net als Aaltje uit een landelijke omgeving waar met twee vingers tegen de pet getikt werd voor dokter of dominee en langs het pad gespuugd voor de rest. “Laatst was er ook zo’n grietje. Ik roep dan vanuit m’n bed hoe ze de magnetron moet bedienen… ‘Zie je het tweede knopje van links…ja… en kies dan [select], zie je [select]?… Nee?… Probeer het tweede knopje van links nog eens….’ En vervolgens is mijn havermoutsepap overgekookt en kleven dikke klodders pap aan de buitenkant… eeks!” en Ada trekt een vies gezicht. “Maar wat ik het aller ergste vind is dat ik hier bestolen ben en zowel de directie als de politie zeggen dat ze er niets aan kunnen doen. Ze doen net alsof ik een dement besje ben dat maar verzint dat er vijftien ruggen en een gouden armband voor mijn dochter in het kluisje lagen!” Mijn ogen werden zo groot als schoteltjes. “Wist je dat niet?” riep Ada uit en ik zag tranen opkomen. “Ik was die dag een hele dag naar Friesland en pas s ’avonds laat terug. Toen ik ontdekte dat mijn portemonnee weg was, had ik eigenlijk direct ook de kluis moet checken, maar ik zag dat het sleuteltje nog op de zelfde plek lag waar ik het verstopt had… niemand wilde iets doen,” snikte ze. “En wie is er in het bezit van de reservesleutel?” vroeg ik. Die blijkt al minstens een dozijn bewoners geleden ‘kwijt’ te zijn; nou schiet mij maar lek. “Het was het spaargeld dat ik in al die jaren in een potje gestopt had. Ik spaarde altijd! Als mijn man bijvoorbeeld twijfelde of een bepaalde uitgave wel mogelijk was, dan kwam ik triomfantelijk met dat potje! Oh, ik voel me nu zo geamputeerd!” Terwijl Ada de tranen van haar wangen veegde wreef ik zachtjes over haar arm. Arme Aaltje, aan haar bed in de woonkamer gekluisterd het meest van de tijd. Op haar broze botten schuifelend achter haar rollator door haar kleine appartementje, de zuurstofslang achter zich aanslepend. Drie keer per dag gekatheteriseerd omdat haar urinebuis wordt afgekneld door de verzakkingen, darmspoelingen vanwege de verstopping door de pijnstillers, uren lang vernevelen omdat ze zonder niet kan ademen en alle overige ongemakken en kwalen die elkaar opvolgen, zoals dikke benen en een flinterdunne huid die bij het minste of geringste scheurt en open plekken veroorzaakt die maar moeilijk helen. Haar ribben schuren langs haar heupbeenderen omdat zo erg in elkaar zakt als ze zit. “Maar ik wil nog zo veel!” galmt haar stem nog na in mijn hoofd.

Komende week is er bloemschikken en daar wil Ada graag bij zijn. Ze vroeg zich hardop af of ze dan wel een bloemstukje zou kunnen maken, als ze geen snoeischaartje kan hanteren met haar vergroeide duim. “Ik kan met die hand niet eens iets fatsoenlijk vasthouden.” Ik stelde haar gerust dat het bloemschikken niet meer voor zou stellen dan een paar takjes in een blok oase steken en dat kun je zelfs met twee linker handen zoals ik. “Ik blijf altijd net zo lang klungelen totdat de bloemen-juffrouw het niet langer aan kan zien en mij te hulp schiet. Ga ik uiteindelijk met het mooiste stuk naar huis!” biechtte ik op. Ada vond het niet grappig. Bovendien was het inmiddels tijd om naar huis te gaan. Ik gaf haar drie ferme zoenen bij het afscheid. Kop op meid! In de lift naar beneden zakte ook mij even de moed in de schoenen. Wat moet ze nu? Doorsappelen totdat een eindeloze slaap haar meeneemt naar een plek waar ze alles weer vindt wat haar is afgenomen? Er zit geloof ik niets anders op.

Kijk haar

Tante Annie was een hele lieve vrouw. Dit zal iedereen van de familie beamen. Dat ze soms een aantal keer achter elkaar hetzelfde vroeg, deed mij vermoeden dat ze wat in de war begon te raken. Maar toen ik dit aankaartte werd het ten stelligste ontkend. Dat ik dat durfde te suggereren! En ja, ze had een gehoorapparaat en meerdere keren geholpen aan staar, maar verder was ze nog heel goed bij. En dus hier zei zeker ook niemand wat van: n.l. dat tante Annie’s wangen prikten als ze je een zoen gaf.

Nou, als dat bij mij ook zo zou zijn, mag je mij vanaf een anoniem account een berichtje sturen! Helaas komt na die peperdure ontharingsbehandeling mijn overtollige gezichtshaar nog steeds terug, weliswaar in mindere mate. Ik kan wel weer terug naar die huidtherapeut, maar je bovenlip is zo gevoelig en het ontharen van die plek zo pijnlijk, dat ik niet snel geneigd ben om een nieuwe afspraak te maken. Dan maar af en toe in de weer met pincet en harspapiertjes; ook Auw!

Aan het andere uiterste van mijn lijf vindt het tegenovergestelde plaats. Terwijl ik vroeger eindeloos m’n benen moest scheren, waarna er dikke stoppels achterbleven, ben ik sinds ik de 50 gepasseerd ben, vanaf mijn knieën bijna helemaal glad. Wel zo makkelijk.

Er vindt blijkbaar een herverdeling van haar plaats als je ouder wordt: namelijk van je benen naar je bovenlip en kin.

Echter grootste verandering die heeft plaatsgevonden had ik niet zien aankomen: mijn hoofdhaar is sinds kort gestopt met groeien! Ik had me er al lang en breed bij neergelegd dat mijn eens zo weelderige bos krullen pluizend uitgedund was en mijn paardenstaart nog maar een miezerig plukje bijeengehouden met het kleinste elastiekje dat bestaat. Hoe had ik kunnen weten dat ook de lengte me zou worden afgenomen?

“Waarom hebben oude dames allemaal kort haar?” vroeg een vriendje zich ooit hardop af. “Dat vinden ze vast lekker makkelijk” antwoordde ik destijds. Nu weet ik wel beter: haar vertikt het om nog langer te groeien! Althans mijn haar. Al maanden hoeft de kapper alleen het randje in de nek bij te punten, terwijl bovenop mijn haarlengte op een krappe 12 cm blijft hangen. Wat krijgen we nou? Kapper Bas bevestigt laconiek dat dat nou eenmaal komt door de leeftijd. Er is ook niets aan te doen. Ze kunnen er geen haar bijknippen. De lengte van mijn wenkbrauwen terentegen neemt wel toe, maar mijn hoofdhaar houdt het vanaf zo ongeveer halverwege mijn oren voor gezien.

Nooit meer vlechtjes… Voor sommige dingen ben je ook gewoon te oud en twee staartjes of vlechtjes zijn van die dingen die echt niet meer kunnen nu. Maar dan zou ik daar toch het liefst zelf over kunnen beslissen. Dus als iemand vraagt waarom ik geen lang haar meer draag vertel ik niet dat dat iets is voor jonge meiden, maar leg uit dat als je oud bent die keuze voor je wordt gemaakt.

De Firma

Voor de gelegenheid ter ere van het 25 jarige jubileum van Toos Vee, zoekt de firma Rentacrowd diverse representatieve figuranten. Iets voor u? Meldt u zich dan nu aan!

Onder het motto “Lonely but not alone” zorgt Rentacrowd al velen jaren voor een bont gezelschap om uw feestje, bruiloft of borrel aan te kleden. Met de inzet van Rentacrowd bent u verzekerd van een zaal vol fijne goedlachse mensen. Het bijkomende voordeel is, dat u met de meesten van uw ‘gasten’ geen verplicht praatje hoeft te maken, hoe fijn is dat? De figuranten van Rentacrowd herkent u aan het feit dat u ze niet kent.

Huisregels:

Zorg dat u conform de gelegenheid gekleed gaat. Tennistenue is ook goed, maar heb daar dan wel een passend verhaal bij. Bent u per abuis over-dressed, geef dan aan dat u juist van een andere partij komt of beter nog: dat u hierna nog een feestje hebt.

Kom op tijd, maar niet te vroeg. U kunt zo u wil, van te voren met andere medewerkers van Rentacrowd in een cafeetje samenkomen waar u eventuele details of strategieën nog even door kunt nemen. Zorg dat u aldaar niet te veel drinkt, er is genoeg op locatie.

De firma Rentacrowd mag uiteraard vrijelijk in conversaties genoemd worden, echter onder geen beding in relatie tot u zelf of de klant!

Hapjes en drankjes zijn voor rekening van de klant. Rentacrowd vereist wel dat u WA-verzekerd bent in geval u schade toebrengt aan het interieur of aan gasten van de klant.

Bestudeert u de bijgevoegde foto van Toos Vee en haar partner goed, zodat u tijdens u werkzaamheden op locatie niet een van de andere gasten met de klant verwardt.

Bedenk van te voren wat uw connectie met Toos Vee zou kunnen zijn en blijft u alstublieft bij dit verhaal! Niets is zo pijnlijk als men in de gaten krijgt dat u in feite weinig te zoeken heeft op het feest. De firma heeft een naam op te houden!

Voorafgaand krijgt u een geplastificeerd kaartje toegestuurd met hierop enkele gegevens over Toos. Neem dit kaartje op de dag zelf mee zodat u deze informatie, bijvoorbeeld tijdens toiletbezoek, kun raadplegen, mocht u vastlopen gedurende een gesprek. Onze ervaring leert echter dat het gebruik van het kaartje vrijwel nooit nodig is, met name vanaf het moment dat het aantal genuttigde alcoholische consumpties het gemiddelde heeft overstegen.

Het is voor deze gelegenheid, het jubileum van Toos Vee, niet noodzakelijk dat u onze cursus ‘Conversatie voor gevorderden’ met succes heeft afgerond; de cursus ‘Borrelpraat niveau I’, wordt wel ten zeerste aanbevolen. Inschrijven voor de cursus is nog mogelijk tot een dag van te voren.

Reacties en aanmeldingen kunt u sturen naar Rentacrowd via onze website. Bellen kan ook, vanaf 14:00 pm.

De spataderpoli

Het is een zonovergoten dag in mei. Een kwartier voor de afgesproken tijd meld ik me bij de polikliniek. De moderne inrichting verraadt dat deze voornamelijk gericht is op de commerciële tak van sport. Ik bedoel eigenlijk: de niet-pathologische, uitsluitend cosmetische, ‘medische’ ingrepen. Die om die reden ook niet vergoed worden door de zorgverzekeraars, maar waarvoor mensen best bereid zijn te betalen. Vóór mij aan de balie staat een stevige mevrouw met aan één been een dikke camel-kleurige kous, haar andere been is bloot, in platte schoenen. De doktersassistente telefoneert hoorbaar: “…deze mevrouw met flebitis…”. Nu weet ik niet of de flebitis (vaatontsteking) de primaire reden is dat de mevrouw hier is of dat dit het vreselijke gevolg is van een eerdere behandeling. ‘De straf voor haar ijdelheid!’ oordeel ik bitter en wil me alweer omdraaien en ongemerkt het pand verlaten. Maar ook mijn ijdelheid wint het van de angst dat het mis kan gaan. Want ik wil niet in een zomerjurkje over straat moeten met daaronder blauwdooraderde benen.

Als ik door de nurse-practitioner in witte jas en de verpleegkundige in OK-kleding in de behandelkamer wordt ontvangen, hou ik nogmaals het betoog dat ik de week ervoor tegen de arts had gehouden. Dat ik eigenlijk een diepgewortelde aversie heb tegen cosmetische chirurgie. Dat ik echt heel erg tegen het snijden in een gezond lichaam ben. Maar dat de blauwe aders mij ervan weerhouden ontspannen de blote benen in het openbaar te tonen… ‘Ja duh, daarvoor is deze kliniek!,’ hoor ik ze denken. Alsof je naar de slager gaat en zegt: “Sorry slager, maar ik ben echt heel erg tegen het doden van dieren en ik vind het ook vreselijk dat ze moeten lijden tijdens het vervoer van de boerderij naar het slachthuis, maar ik wil toch een lapje vlees, wat vindt u van deze keuze?”

De nurse-practitioner probeert de hele situatie te relativeren. “Het is een heel eenvoudige ingreep en misschien heeft u er al een tijdje last vast? Doet het pijn, zeurend gevoel?” Nee, dit excuus voor mijn knieval voor de cosmetische chirurgie kan ik helaas niet aanvoeren: nee, ze doen geen pijn. De nurse-practitioner is een vrouw van onbestemde leeftijd, ze oogt in haar doktersjas gedistingeerd, maar toch warm en vertrouwenwekkend. Afgaande op haar dure kapsel en make-up schat ik dat ze best aardig verdient. De verpleegkundige maakt de spuitjes klaar. We kletsen ondertussen wat verder. “Als jullie nou zo iets hadden?” , stel ik een gewetensvraag aan beide dames, “zouden jullie het dan laten doen?” “Nou, ik heb ze gelukkig niet!” zegt de jonge verpleegkundige met een vies gezicht, alsof we het over luizen of steenpuisten hebben. “Ik had ze wel en ik heb ze ook weggehaald.” bekent de nurse-practitioner dapper en ze voegt er triomfantelijk aan toe: “Sterker nog: ik heb ze zelf weggespoten!,”. Bijna wil ik een begin maken met het onthullen van mijn eigen waslijst aan voor artsen voorbehouden handelingen die ik bij mezelf verricht heb, waaronder het afknippen van steelwratten, het verwijderen van hechtingen en het plaatsen van een verdoving in mijn wang bij een ontstoken kies met een tandartsensetje dat nog in de keukenla lag. Maar dan zijn de beloofde spuitjes klaar en start de procedure. Ik zit met blote benen op een papieren onderlegger op de behandeltafel.

– Om welke plekjes gaat het? – Nou, deze twee vertakte aan de buitenkant en deze grote dikke aan de binnenkant van mijn rechter been. Deze op mijn linkerbeen is een gewone ader had de arts gezegd, dus die zou niet voor behandeling in aanmerking komen. – Oh maar dat is toch echt een spatader; die daarboven, dat is een ‘gewone’ ader, dit hier is een gekronkelde ader met lekke kleppen. – Maar de arts zei dat deze niet kon. – Jawel hoor helemaal geen probleem! – Maar als deze ader zometeen dicht is, nemen de shunts of collateralen of zo het dan gewoon over? Mijn stem paniekerig haperend. Er wordt niet meer geluisterd geloof ik. Niet het juiste moment voor dit gesprek. Ik hou m’n mond, maar ben er niet helemaal gerust op, of eigenlijk: helemaal niet gerust op. De arts had toch duidelijk de indicatie gesteld: deze ader wel, deze ader niet? Deze nurse kan toch niet eigenhandig het te behandelen gebied uitbreiden? Wat als de diagnose toch fout is? Wat zijn de gevolgen als je een ‘gewone’ ader verstopt? Hoewel ik het informatieboekje over complicaties pas op de parkeerplaats vluchtig heb doorgebladerd, kan me niet herinneren dat deze erbij stond. Het duiveltje op mijn schouder fluistert: “zie je nou wel, was nou maar niet gegaan!” Er is nu geen weg meer terug, terwijl de paniek mij om het hart slaat wordt de eerst spuit in mijn been gezet. De prikken doen overigens best pijn, zoals alle prikken die zogenaamd geen pijn doen. Er schiet van alles door m’n hoofd, is dit wel goed? Wat als ik allergisch ben, wat als er straks een propje naar m’n longen schiet of erger: naar m ‘n hersenen? Ik krijg opeens vreselijke spijt van mijn actie…

Even later sta ik weer op straat. Met aan beide benen camel-kleurige steunkousen van het Huis. Ik ben nu net m’n oma, die droeg ook zomer en winter steunkousen! Bij het aanmeten, ontglipte mij de opmerking dat het libido van mijn man wel tot beneden het vriespunt zou dalen als hij mij in deze kousen zou zien, maar dat hij gelukkig op vakantie is. De verpleegkundige sprak haar afschuw uit over het feit dat mijn echtgenoot zonder zijn vrouw op vakantie gaat. “ En al helemaal in deze toestand: twee ingezwachtelde benen, herstellende van zo’n ingreep”. Bij het afscheid werd mij op het hart gedrukt om twee maanden uit de zon te blijven… let wel: het is eind mei. Verder mag ik achtenveertig uur niet douchen, maar dat is voor een geboren smeerkees als ik geen straf. Daarna mag ik twee weken niet sporten en niet zwemmen. Dat is wel jammer.

Ik doe die middag nog even boodschappen in de supermarkt en de steunkousen voelen dan nog best prettig aan, maar in de loop van de avond beginnen ze ondraaglijk te jeuken. Oh wat een kwelling voor mensen die ze jaar in jaar uit moeten dragen. Wie niet boven een bepaalde leeftijd? vraag ik me nu af. Waarom wilde ik dit zo nodig, wat heeft mij over stag doen gaan? Met kousen en al stap ik in een leeg bed en droom van een heerlijke strandvakantie, een ondergaande zon aan zee en van een witte rok die sierlijk wappert om mijn spataderloze benen.

De opruimcoach

“Vertel eens, hoe is het zo gekomen?” Ze houdt haar jas nog even aan als ze onze woonkamer binnenstapt. Een misprijzende blik glijdt over de stapels tijdschriften en prullaria op de vensterbanken en op de schappen van de boekenkast. De mokkapunt bij de koffie slaat ze af. “Als ik bij alle adressen waar ik kom, koekjes en taart aanneem, barst ik uit m’n voegen”. Alsof dik zijn een keuze is? Ik besluit direct om mijn eigen kruistocht tegen de kilo’s vandaag niet het onderwerp van gesprek te laten worden; één ding tegelijk.

Zij tovert een geruststellende glimlach op haar gezicht en kijkt mij met vragende ogen aan terwijl ze haar handen voor haar borst vouwt. Ik neem een grote hap adem en dan steek ik van wal: “Nou ja…, mijn vader bewaarde ook alles. Hij verzamelde touwtjes, elastiekjes, kurken en bidprentjes. Van die kurken wilde hij ooit nog iets maken. Hij gooide liever niets weg, maar kocht ook bijna nooit wat. Hooguit voor verjaardagen of met Sinterklaas. En als hij dan een cadeautje kocht, was het meestal iets dat je zelden nodig had: een toneelkijker, een leren fietstas, een nagelsetje in een rode etui (het merendeel van de onderdelen had een onbekende functie) en zilveren hangertje van de Brandwondenstichting. Toen mijn vader ter gelegenheid van Sinterklaas een tondeuse had gekocht werd het zelfs mijn moeder te gortig. Zij had de oorlog meegemaakt, dus daar heb ik het misschien van: beter mee verlegen dan om verlegen. Bovendien heb ik best vaak, dat áls ik iets nodig heb, dat ik het ook heb!” “Omdat je er drie paar van hebt, of misschien wel vijf, waarvan je er vier niet meer kunt vinden?” vult zij aan met rollende ogen. Dan loopt ze naar de uitpuilende boekenkast en weet er feilloos haar eigen werkje uit te vissen. Ze lacht minzaam om mijn bonte verzameling zelfhulpboeken op het gebied van opruimen, schoonmaken en het voeren van een perfect huishouden.

“Verder moet je ook tijd nemen voor je zelf,” predikt ze, een onberispelijk gemanicuurde wijsvinger in mijn schouder prikkend. In haar visie is dat niet: luieren in de zon, maar ’s ochtends op tijd opstaan, douchen, leuk aankleden, make-uppen, goed ontbijten en dan aan de slag.

“Wanneer ben je voor het laatst naar de kapper geweest? Zo zit je toch niet lekker in je vel?” Ze heft haar armen ten hemel. Ik voel me steeds kleiner en zieliger worden. Ik neem al de hele dag tijd voor mezelf, maar er komt niks uit m’n handen! Er zijn zoveel dingen die ik moet doen, terwijl ik eigenlijk iets leuks wil doen, maar dat mag dan weer niet voordat ik uberhaubt iets nuttigs heb gedaan en aangezien ik me daar niet toe kan zetten, doe ik maar niks. En dan is het cirkeltje rond. Dus vandaag leer ik om een plan te maken; me er aan houden is een tweede. Hoe doet zíj dat?

Gewoon er tegenaan! En we beginnen vandaag met de administratie. Start met een lege werkplek creëren bijvoorbeeld op je bureau. Achterstallige betalingen moeten als eerste aangepakt worden. De rest mag weg. Maar elke zelfgekleurde verjaardagskaart, kattenbelletje of herinnering aan een vrolijke onbezorgde kindertijd schreeuwt om bewaard te mogen worden. Voor als de kinderen ooit zouden gaan twijfelen aan mijn geheugen en zich een vreselijke jeugd willen toe-eigenen waarop ze hun tekortkomingen kunnen verhalen. Aan het eind van een hele ochtend sorteren en verplaatsen van spullen van de ene ongeordende kamer naar de andere, heb ik het idee dat we geen steek zijn opgeschoten. Met een ‘tja, je moet het toch zelf doen!’ neemt de opruimcoach-aan-huis tenslotte afscheid, maar niet voordat ze mij een gepeperde rekening heeft overhandigd. Ik zwaai haar uit tot ze de hoek om is en met een diepe zucht loop ik terug het huis in. De actiepuntenlijst is langer geworden dan ik ooit had vermoed. ‘Zodra ik het eerste klusje klaar heb, trakteer ik mezelf op de overgebleven mokkapunt’, bedenk ik strijdlustig. Maar als er aan het eind van de middag nog niets is verplaatst, laat staan opgeruimd of betaald, omdat ik verdronken was in mijn opstellenschrift van de lagere school, eet ik desondanks de mokkapunt op.

“Wat heb jij op je wang?” gilt mijn dochter als ik haar bij school ophaal. In het autospiegeltje zie ik een verwaaid gezicht met naast de mondhoek een klodder slagroom. Ik kreun: ‘ik ben een total failure…’.

1 2 3 4