We hebben een paar jaar geleden allebei een nieuwe fiets gekocht. Al maanden had ik niet meer gefietst en toen we ietsjes onwennig slingerend de straat uit en de dijk opreden, voelde ik me net opa en oma die een eindje gaan fietsen.
Onze grootouders hebben die tijd nog meegemaakt dat uberhaubt het hebben van een fiets iets heel bijzonders was. De tijd dat je werd aangehouden en je fiets in moest leveren. Dat je om onduidelijke reden kon worden opgepakt. In geen enkele oorlog ben je vrij, geldt de noodtoestand, worden mannen beschoten en vrouwen verkracht. Of ze laten je wegrotten in een kamp of gevangenis, je afvragend of er daarbuiten nog redelijkheid bestaat. Meer dan zeventig jaar vrijheid. Bij de dodenherdenking in onze stad komen elk jaar meer mensen, meer ouderen en meer jongeren. Ook de afgelopen keer. De stille tocht van de kerk naar het oorlogsmonument leek wel een protestmars. Protest tegen al het oorlogsgeweld in de wereld en tegen de dreiging van extremisten die onmenselijkheid als enige oplossing zien om hun ideale samenleving te bereiken. Ze onthoofden de ongelovigen en sluiten diens dochters op om als sexslavinnen de zonen van Allah te dienen. Die complete willekeur waarmee er met mensenlevens wordt omgegaan maakt een oorlog zo afschrikwekkend, alsof er aan de kant van de vijand totale gewetenloosheid bestaat. Of is het alleen maar angst en wanhoop die tot vreselijke daden aanzet?
Onze ouders vertelden best vaak over de oorlog. Met name toe ik klein was en we zondags naar Limburg reden, naar opa en oma, waar we voorbij kapotte huizen reden en er her en der nog betonnen bunkers in de omgeploegde akkers stonden. In de keuken van oma wees mijn vader de granaatinslagen op de tegelmuur boven het fornuis aan. Bij mijn ouders leefden we in de sixties, bij mijn grootouders was de tijd in 1945 stil blijven staan en alles om hun heen leek vooroorlogs. Mijn opa bleek in de oorlog erg bang geweest te zijn en zelfs depressief. Mijn vader, die natuurlijk een jonge held was, had hier desondanks geen oordeel over: “Nee, ik vond hem niet laf of zo, zo was hij nou eenmaal”. Oma had mijn vader aan het eind van de oorlog gevraagd of hij niet beter binnen kon blijven in plaats van met gevaar voor eigen leven, gewonden van het slagveld bij de Maas te halen. “Die andere mensen doen dat toch ook niet?” riep ze hem verontwaardigd toe als hij ondanks het luchtalarm het huis uitging. Ze gingen met z’n tweeën, twee jongens, met een kar met een pony het gevaar tegemoet. Ook was hij bijna opgepakt om in Duitsland te gaan werken, maar hij ruilde een tabakspijp voor zijn vrijheid. ‘Een goede Duitser’, zei mijn vader over de soldaat die hem had laten lopen. ‘Vast’, hoonde mijn moeder dan. Mijn vader heeft een medaille gekregen voor zijn Rode Kruis werk. Aan het eind van zijn leven kwam de oorlog nog vaak naar boven. In dagdromen en tijdens verwarde perioden. Dan dacht hij dat de Joodse onderduikers die ze in het plaatselijk ziekenhuis hadden verborgen, tijdens de vele razia’s, werden ontdekt. Hij had ook een pistool ergens moeten verstoppen voor mensen van het verzet, en op een keer had hij dat meegenomen bij het ophalen van gewonden vlak bij het front. Hij zou toen hebben geschoten in de mist, maar niet wist of hij iemand geraakt had. Hij vertelde dit ooit met horten en stoten alsof hij de waarheid wel wilde vertellen, maar niet durfde. “Had je die persoon geraakt?” vroeg ik hem. “Dat weet ik niet!” schreeuwde hij toen, “Dat kon ik niet zien!” Hij zat er dus na al die jaren nog steeds mee. Er is nog een dagboekje van hem over de oorlog waarin wellicht de details hierover staan, maar dat is naar het bureau voor oorlogsdocumentatie in Den Haag gegaan geloof ik.
Het was juist de vrijheid die mijn vader in de oorlog had ervaren, de vrijheid om zijn eigen keuzes te maken, om zijn eigen leven in de waagschaal te stellen in het spannende tieneravontuur waarin hij zelf de hoofdrol speelde. Hij moet gedacht hebben dat hij onoverwinnelijk was, toen hij onder het granaatvuur maar niet geraakt werd.
Hoe anders was het voor mijn moeder die gedwongen werd om in een vrouwenkamp aan de andere kant van de wereld voor haar zusje en haar kwakkelende moeder de kooltjes uit het vuur te halen, te werken op het land en te buigen voor de Jappen die zo lelijk waren dat je ogen er pijn van deden… De ouders van mijn moeder hadden namelijk besloten niet te buigen. En wat was hun beloning voor hun vaderlandsliefde? Iedereen die niet voor de nieuwe machthebbers tekende werd geïnterneerd. Nooit had mijn moeder durven dromen dat een jarenlange hel het gevolg was van hun ’moedige’ keuze voor Holland. En niemand kwam hen te hulp. Nooit zou ze die beslissing weer nemen, vertelde ze, liever was ze een lafaard buiten het kamp geweest dan weg te hebben moeten teren achter het prikkeldraad. De mensen die zo uit de handen van de Japanners wisten te blijven zijn hier na de oorlog verder nooit op aangekeken, heel anders dan het hier in Nederland de NSB-ers is vergaan. Mijn moeder moest zwoegen onder de ogen van sadistische Koreaanse bewakers. Deze mensen hebben haar jeugd afgepakt, een onbezorgde jeugd die anders bol gestaan zou hebben met uitjes, dansen, zwemmen en feestjes. Het hadden haar beste jaren moeten zijn.
Voor mijn vader was de oorlog misschien de mooiste tijd uit zijn leven. Hij heeft het een paar jaar geleden toegegeven. Hij ging niet meer naar school, die was gesloten, niemand zei hem wat hij moest doen, hij hoefde alleen zijn woest kloppende jongenshart te volgen en het weidse landschap in Limburg in te trekken. Mijn moeder had juist geen enkele vrijheid, moest alles doen van iedereen, van de onderdrukkers, van de kampleiding, voor haar moeder die zwak en ziek was, voor haar jongere zus. Geen enkele keuzevrijheid, niet de vrijheid om voldoende te eten, om niet ziek te worden. Je kon niet eens kiezen om in leven te blijven. Je kon nergens naar toe. En het paradijsje waarin ze voor de oorlog leefde smolt langzaam weg tot een herinnering aan een zonnige dag. Na de oorlog moest mijn moeder weer vluchten voor haar leven, toen ze beschoten werd door inlanders die zich in hun woning hadden verschanst. Vrijheid is voor haar dus zo essentieel geworden. Nooit meer oorlog, nooit meer honger. Met als gevolg: een kelder vol blikjes ravioli en witte bonen in tomatensaus, en een vrieskist vol vlees, groeten en ijsjes. Mijn moeder verwijt mijn vader dat hij niet weet waar hij over praat als hij het over de schaarste in de oorlog had. “Wij aten sprinkhanen!” riep ze dan, “Honger? Wat weet jij daarvan?” Nee, dat wist mijn vader inderdaad niet. Zijn ouders hadden aan het einde van de oorlog nog zelfs een varkentje dat ze in de kelder verborgen hielden en schillen voerden. Toen het te veel in de gaten begon te lopen hebben ze het maar geslacht en opgegeten.
Mijn moeder was gelukkig niet door de bezetter misbruikt. “Afgezien van het feit dat ik daarvoor veel te mager was, hadden twee zusjes, die Japans recht bestudeerd hadden, de leiding van het kamp gewezen op het feit dat meisjes gebruiken een oorlogsmisdaad zou zijn en ze dat zouden melden bij de hoogste leiding (misschien wel aan de keizer).” Dus in hun kamp geen ‘troostmeisjes’.
Wat mijn vader en moeder gemeen hebben is dat ze iets wezenlijks in de oorlog hebben achtergelaten. Mijn vader was, net als koningin Wilhelmina, zeer teleurgesteld in het naoorlogse Nederland. Geen enkele saamhorigheid meer, geen plek meer voor helden of heldhaftigheid. Nederland was weer verworden tot een slappe, laffe, zelfzuchtige, verdeelde boel. Mijn moeder daar en tegen zou na de oorlog nooit meer klagen, want wat er ook gebeurde, in het kamp was het altijd erger geweest. Wat kon ze genieten van kleine dingen en onbezorgd haar schouders ophalen bij tegenslagen. Hoe groot was de teleurstelling en ontzetting toen ze, even voor ze met pensioen zou gaan, plotseling met een halfzijdige verlamming in een rolstoel bij huize Hoensbroek in Limburg werd afgeleverd. “Het kan dus echt nog erger: zelf niet uit bed kunnen of gevangen in een rolstoel en niet weg kunnen lopen. Onder bevelen het dagprogramma vol angst en pijn moeten doorstaan en niemand die je helpt.” Toen ik haar tijdens een bezoek in het zwembad zag spartelen en naar adem zag happen omdat ze nauwelijks haar hoofd boven het water wist te houden, terwijl de trainer haar liet begaan, omdat dit haar zelfredzaamheid zou bevorderen, had ik het zelfs te kwaad. In het kamp had ze tenminste nog de vrijheid gehad om een eindje te lopen, om zich zelf te wassen en zo goed en zo kwaad als het kon wat eten bij elkaar te scharrelen. In het revalidatiecentrum was ze totaal afhankelijk, voor alles; helemaal overgeleverd aan de grillen van het verzorgend personeel, die haar in het Limburgs van alles toeriepen. Ze klaagde over eenzame slapeloze nachten, pijn, krampen en altijd de angst om te vallen… nee, Hoensbroek was nog erger dan het kamp. Op een middag was ze met een medepatiënt, Jan, stiekem weggerold achter de struiken tijdens een verplichte sportdag. Voor haar een grote overwinning op het strenge regiem in de instelling. Lekker ontsnapt! Vrijheid!
Wat is vrijheid nu? Mijn moeder vond dat ik helemaal niet zulke grote ambities hoefde te hebben en mezelf niet moest kwellen en afpeigeren in het leven, want zo lang er geen oorlog was, kon je beter genieten.
De betekenis van vrijheid is voor mij zeker beïnvloed door mijn moeder, namelijk altijd je eigen keuzes kunnen maken. Ik besefte dat je hier ook voldoende middelen voor moest hebben. Van jongs af aan heb ik gewerkt, gestudeerd en gespaard met de bedoeling om nooit afhankelijk te hoeven zijn van wie dan ook. Ik wilde altijd in de gelegenheid zijn om ‘weg’ te kunnen. Weg van een baan waarin ik mogelijk gevangen zou te komen te zitten, weg van een man die je dagen tot een nachtmerrie zouden kunnen maken, weg uit een verstikkend huis of uit een buurt waar ze je liever zien gaan dan komen. En tenslotte weg te kunnen uit een land zodra er oorlog komt.
Maar in deze tijd van dreigend extremisme is vrijheid voor mij ook dat mijn dochters met hun lange wapperende haren over de dijk naar school kunnen fietsen en zoveel verschillende vrienden en vriendinnen kunnen hebben als ze willen. Dat ze straks bij de komende verkiezingen mogen gaan stemmen op wie ze maar willen. Nou, niet helemaal op wie ze willen… natuurlijk wel op een vrouw!